![]()
Schietonderricht anno 1849
Tijdens de jaarlijkse
schietoefeningen was gebleken dat de resultaten voor vele eenheden te wensen
over liet. De oorzaak bleek een gebrek of met andere woorden een totaal
onbestaande reglementering terzake te zijn. Ook in de ons omliggende landen was
men tot deze conclusie gekomen. De vrede die sinds een paar deccennia op het
continent heerste had tot gevolg dat de militairen geen praktijkervaring konden
opdoen. Een commissie werd gevormd en vergaderde een eerste maal op 6 april
1847.
De commissieleden :
Kolonel Fleury-Duray, als president (in 1849 generaal-majoor)
Majoor Michiels, 2é Jagers te Voet
Kapitein Nothomb, in 1849 majoor bij het 1é Linie
Kapitein Prud’Homme, 1é Jagers-Karabiniers
Kapitein Limelette, infanterie-officier verbonden aan het ministerie,
secretaris van de commissie
Kapitein Colignon, artillerie-officier, professor aan de Militaire School
Kapitein Wynants, genie-officier verbonden aan het Ministerie van Oorlog
Er werd op toegezien dat de gekozen officieren het nodige contact hadden met
de troepen, zodat ze op de hoogte waren van de noden en de middelen. Na de
nodige contacten met Groot-Britannië, Frankrijk, Pruisen en Nederland, landen
die met hetzelfde probleem worstelden, en het uitwisselen van gegevens verscheen
op 16 december 1848 het allereerste schietreglement van het Belgische leger.
De geweren en karabijnen toen in gebruik :
-Karabijn voor de Rijkswacht, model An IX, gewijzigd en getrokken
-Infanteriegeweer Model 1777/1841, overgangstype
De theorie.
« Règlement du 16 décembre 1848, sur la tir, a l’usage des régiments
d’infanterie » doet er geen doekjes om en stelt dat « Le fusil est donné au
soldat pour la destruction de son ennemi ».
In alle regimenten werd het
schietonderricht, evenals de andere verplichtingen aan de militaire dienst, aan
de verantwoordelijkheid van bataljonscommandanten onderworpen. Hij moest erop
toezien dat de officieren onder zijn bevel voldoende theoretische en praktische
kennis bezaten om de onderofficieren en soldaten te onderwijzen.
De onderofficieren werden door de adjudant-majoor opgeleid tot instructeurs,
die tevens een paar korporaals « des plus intelligents » onder zijn hoede nam.
De onderluitenanten en luitenanten kregen ook van de adjudant-majoor instructie
maar dan wel onder toeziend oog van de majoor-bataljonscommandant.
De soldaten werden opgedeeld in twee categorieën, namelijk “les jeunes” en de
korporaals samen met de “ancien soldats”. Sinds de militiewet van 8 mei 1847 was
de effectieve legerdienst vastgesteld op 4 jaar en de rekruten met minder dan
een jaar dienst vielen in de categorie “jeunes”. Zij kregen instructie in
groepjes van ongeveer 10 man, de anderen in compagnieverband (circa 90 man op
oorlogssterkte).
In de eerste lessen werd vooral aandacht besteed aan het richten en de houding van de schutter.
Voor het richten probeerde men de
rekruut het verband duidelijk te maken tussen zijn (rechter-)oog, de loop van
het geweer en het doel. Om dit doel te bereiken diende instructeur een geweer te
fixeren met een speciaal ontworpen toestel (chevalet) op drie poten of een tafel
en enkele met zand gevulde zakken. Als doel werd op tien passen een zwarte band
aangebracht van 10 cm. breed en 180 cm. lang, op 89 cm. vanaf de grond gemeten
werd een witte cirkel met een diameter van 2 cm. aangebracht. (Het voorbeeld in
JMO 1849 laat deze band zien geschilderd op een deur). Vervolgens mochten de
rekruten, een voor een, het wonder aanschouwen. Als bleek dat een soldaat het
doel niet kon “raken” werden correcties gemaakt.
Een volgende stap was het in aanslag brengen van het geweer . Dit omvatte:
het plaatsen van de bajonet, het achteruit plaatsen van de linkervoet, met twee
handen het wapen naar omhoog brengen en de kolf tegen de schouder drukken. Een
tweede belangrijke schuttershouding was "la position du premier rang”, oftewel
geknield. Uiteraard gebeurde alles volgens een strikt beschreven militaire
drill.
Nadat de rekruten op een militair verantwoorde mannier de schuttershouding
konden aannemen werd overgegaan tot het ernstigere werk, namelijk het vuren. In
eerste instantie ging het om simulatie en werd er aangeleerd hou men tijdens het
schieten moest omgaan met ademhaling en de druk om de trekker. Om de terugslag
van het geweer aanschouwelijker te maken werd met een hamer op de loop geslagen.
Uiteraard mochten voor deze oefening enkel de « fusil d’instruction » gebruikt
worden. Vervolgens werd het laden van het wapen uitgelegd en als alles gesmeerd
verliep mocht de « jeunes soldat » zijn eerste vijf ballen afvuren.

De praktijk.
In volledige uitrusting, rugzak incluis, begaf de rekruut zich naar een
schietterrein. Om de schutter vertrouwen te laten krijgen werd het eerste schot
gelost op een schietschijf die « slechts » op 50 passen afstand was geplaatst.
Wie de schijf niet raakte mocht zelfs naderen tot op 30, zelfs 25 passen.
Onderofficieren en « anciens » namen aan dit soort oefeningen niet deel, voor
hen waren de reglementaire afstanden 150, 200, 250 en 300 passen.
Wie de oudere types van geweren bekijkt merkt dat de richtmiddelen het niet toelieten om heel precies te vuren. De soldaten werden aangeraden om via het midden van de schroef via de vizierkorrel op het doel te richten. Om een man op 150 passen in het middel te raken richte men op de borst, 200 passen de schouders, 250 passen het hoofd en tot 300 passen op het hoofddeksel. Uiteraard was het belangrijk om afstanden te leren schatten, voor dit doel werden op een stuk vlak terrein op de reeds eerder genoemde afstanden personen geplaatst. De leerling moest zo de verschillende « kenmerken » in zijn hoofd prenten.
Voor het schietonderricht werden
jaarlijks per soldaat van de Linie-regimenten volgende hoeveelheid munitie
verstrekt :
Voor rekruten :
100 capsules
15 cartouches zonder bal
70 cartouches met bal
Voor de anciens :
80 capsules
5 cartouches zonder bal
50 cartouches met bal
De niet gebruikte munitie moest ofwel overgedragen worden tijdens de
jaarlijkse schietprijskamp of gebruikt worden om minder « begaafde » schutters
te onderrichten.
Eens men dit gedeelte onder de knie had ging men over tot het « echte » werk. Voor de eerste drie afstanden (150, 200, 250 passen) werd er op een enkele schietschijf geschoten. Vervaardigd uit wit zeildoek en op een metalen frame gemonteerd, 180 cm. hoog en 60 cm. breed , een 25 cm. brede zwarte band deelde de schijf doormidden. In deze band was een witte cirkel van 20 cm., de « roos » op 89 cm. vanaf de grond gemeten. De bovenste helft werd nogmaals voorzien van twee zwarte banden. De "roos" stelde het middel van een man voor, de twee dwarsbalken de schouders en het hoofd .
Voor het schieten op de grote afstand
van 300 passen werd een « cible double » gebruikt, deze was 120 cm. breed maar
voor de rest identiek aan de « simple ». Per bataljon beschikte men over zes
enkele en twee dubbele schijven.
Wanneer de schijf geraakt werd beschikte men over wit papier, schaar en lijm.
Wanneer het zwarte gedeelte geraakt werd gebruikte men dezelfde middelen, alleen
zorgde een potje zwarte verf en penseel voor de « finishing touch ».
De puntentelling was behoorlijk eenvoudig, wanneer men de schijf raakte vanop
de eerste afstand kreeg men 1 punt, vanop de tweede afstand 2 punten enz. Elk
schot in de roos telde dubbel.
Allereerst ging men « klassen of
categorieën» vormen. De onderofficieren vormden per bataljon hun « klas ». De
oudere soldaten en korporaals werden per compagnie in twee categorieën
ondergebracht, idem voor de rekruten maar dan op bataljonsniveau. Het aantal
punten dat behaald werd bij een sessie van 15 schoten op de eerste twee
afstanden (10-5) gaf de doorslag. Voor anciens was 7 het magische getal, 5 voor
rekruten.
De rekruten begonnen hun schietinstructie tijdens de winter, het eerste
gedeelte kon binnenkamers afgewerkt worden, de drill buiten als het weer het
toeliet. In de eerste twee weken van maart zou dan de « klassestrijd » plaats
hebben.
Tot en met de « Grote Manoeuvres » die elk jaar in september in het Kamp van Beverlo werden gehouden werd er op regelmatige tijdstippen geoefend. Het aantal schoten en behaalde punten werd nauwkeurig bijgehouden in eerste instantie op tabellen in het burreel van de adjudant-majoor en in de tweede plaats in het « livret » van de soldaat.
Op het schietplein werden per peleton
twee secties gevormd, de eerste sectie bevatte de soldaten die tijdens de «
klassestrijd » 7 (5) of meer punten hadden gescoord, de tweede sectie al de
andere. De officier van dienst gaf met luide stem de instructies, wees de
plaatsen en taken aan, en verkondigde de veiligheidsvoorschriften. Een klaroen
blaasde het «garde à vous », wat het sein was waarop iedere sectie zijn positie
innam.
De eerste groep stelde zich op tien passen van de schutterspositie, de wapens
werden geladen en de officier beval « l’arme au bras » en « en place repos ».
Wanneer vervolgens het « commencer le feu » klonk trad de eerste schutter, die
uiterst links in de opgestelde linie stond naar voor en voerde de hem
aangeleerde bewegingen uit en loste zijn schot. Een onderofficier die voor de
cible ingegraven zat wees met een twee meter lange zwarte stok waarop een rode
pijl was becestigd de inslag van het schot aan. Wanneer de schijf geraakt werd
weerklonk een korte sonnerie en indien de roos was geraakt werd deze gevolgd
door drie trommelslagen. Eens het resultaat bekend werden aantekeningen gemaakt,
de soldaat keerde terug naar zijn vorige plaats, deed drie stappen terug en
wachte, de tweede trad naar voor …. enzovoort tot ieder zijn schot had gelost.
Wanneer een geweer haperde stelde de soldaat zich links van de vuurlijn op en
probeerde, in geval van hardnekkige storingen samen met de wapenmaker het wapen
te herstellen. De onderofficieren, korporaals en soldaten droegen tijdens de
schietoefeningen altijd hun volledige uitrusting. Per keer werden zelden meer
dan vijf schoten per man gelost, vier staande en een geknield.
De secties die niet aan de beurt waren werden onledig gehouden met oefeningen
zoals drill of het schatten van afstanden.
De « Prix de Tir ».
Om de « l’amour propre » te bevorderen tussen de manschappen werd tegelijk
met het reglement een schuttersprijs ingesteld. De prijzen waren de inzet van de
jaarlijks gehouden schietwedstrijden en waren als volgt verdeeld :
Per bataljon :
- Een eerste en tweede prijs voor de onderofficieren
- Idem voor de rekruten
- Zes eerste en zes tweede prijzen voor de « anciens » (twee per compagnie)
De eerste prijs was een steekspeld met ketting in zilver met als opschrift « Premier Prix de Tir ». De tweede prijs was identiek maar vervaarduigd in verzilverd koper (argent-neuf) en natuurlijk met « Second Prix de Tir » .
De wedstrijd was voorbehouden aan de
militairen die zich in de 1é klas hadden geplaatst en in de loop van het jaar
minstens 40 punten hadden gescoord. Voor de « jeunes soldats » was 30 het
minimum, maar de punten behaald bij de classificatie werden niet meegeteld. De
adjudant-majoor was verantwoordelijk voor het aanduiden van de deelnemers. Er
werd getracht om de wedstrijd op een dag af te werken. De eerste deelnemers
waren de onderofficieren, gevolgd door de korporaals en « anciens » en tot slot
de rekruten.
De bataljons-commandant kondigde de wedstrijd aan en bracht iedereen op de
hoogte van het reglement, de adjudant-majoor werd aangesteld voor het
opschrijven van de punten en voor het in goede orde te laten verlopen van het
concours.
Tijdens de wedstrijd vuurde iedere deenemer vijf schoten na elkaar af vanuit
een positie die hem het best lag, het wapen mocht enkel met de handen gefixeerd
worden. De deelnemers waren gekleed in volledige gevechtsuitrusting. Er werd
gevuurd op de klassieke schietschijf, alleen was de roos van 25 cm. verkleind
tot vijf cm. ! Iedere keer men de cible raakte leverde dit 20 punten op, een
roos telde dubbel en de punten die men tijdens het afgelopen jaar had behaald
werden meegeteld in het eindresultaat. De winnaar was natuurlijk wie het meest
aantal punten behaalde. In geval van een gelijkstand werd per man een extra
schot afgevuurd. De adjudant-majoor had dan de opdracht om tot op de millimeter
na te gaan wie van de twee schutters het middelpunt van de roos had geraakt,
waarna de winnaar werd bekend gemaakt.
De prijzen werden door de bataljons-commandant plechtig overhandigd na de
wedstrijd terwijl het volledige bataljon was aangetreden. Wanneer een militair
twee jaar na elkaar dezelfde prijs behaalde werd het « insigne » niet opnieuw
uitgereikt maar ontving hij voor een eerste prijs zes franc, voor een tweede
drie franc. (De soldij was in 1847 voor een soldaat ongeveer 20 à 25 centiemen
per week) Nooit mocht een prijs uitgereikt worden die minder was dan de gene die
men het vorige jaar behaald had. Indien men het voorgaande jaar een eerste prijs
had gekregen en de volgende wedstrijd op een tweede plaats eindigde moest zijn
prijs afstaan aan degene die op hem volgde. Met andere woorden de tweede werd
automatisch derde als hij het jaar daarvoor eerste was ;-)
Al wie tijdens deze sessie een eerste prijs had behaald werd afgevaardigd
voor « le Grand Prix de Tir du Régiment ». Deze wedstrijd werd gehouden in
aanwezigheid van de korpsoverste en zijn staf. Een van de adjudant-majoors was
verantwoordelijk voor de iets complexere puntentelling. Iedere schutter had drie
kogels, na het vuren was het de taak van de adjudant om héél precies, tot op de
millimeter, van het middelpunt van de kogelinslag tot hetzelfde punt in de roos
te meten. De drie afstanden werden samengeteld en de kortste hiervan won de
wedstrijd.
Er werd gestreden in een enkele groep, waardoor slechts een man per regiment
de winaar kon zijn. Tijdens een plechtig defilé werd door de korpsoverste de
prijs overhandigd. Deze bestond uit een insigne van verguld zilver, twee
gekruiste karabijnen voorstellende, dat op de linker bovenmouw werd gedragen .
De trotse eigenaar van dit juweel, onderofficier, korporaal of soldaat, werd
bovendien één jaar vrijgesteld van « corvée » en wanneer men een jaar later er
inslaagde om een tweede maal de eerste prijs te behalen werd 30 franc gegeven in
plaats van een insigne! ! !
(Bron: Journal Militaire Officiel, 1849, blz. 81-107)
![]()
![]()