INHOUD

 

Geef ons heden ons dagelijks rantsoen,
Soldatenkost anno 1912

 

Ondanks het feit dat de legerdienst niet populair kan genoemd worden, had men er wel de zekerheid van huisvesting, kledij en voedsel, iets wat voor de arbeidersklasse van rond 1900 niet zo vanzelfsprekend was.
Als er iets was waar generaties lang over geklaagd werd dan was het wel het dagelijks eten bij “den troep”.  Uit eigen ervaring weet ik dat je er beter kon over klagen, zo kreeg men wat medelijden en stopte de familie je wat meer zakgeld toe. Voor mijzelf was dat 1980, maar werd deze truc al generaties lang gebruikt? Wie zal het zeggen?
Het militaire tijdschrift “La Vie Militaire” doet er in 1912 geen doekjes om, nergens is het beter te tafelen dan in de refter van de kazerne!

 

Brood

Het basisvoedsel in die tijd was o.a. brood, in legertermen “pain de munition” of commiesbrood genoemd.
Het hoofdbestanddeel voor brood is natuurlijk bloem, en om bloem te bekomen is graan nodig. De tarwe werd door het Ministerie van Oorlog aangekocht en werd te Antwerpen door een lokale commissie in ontvangst genomen. Na controle, die volgens het lastenboek werd uitgevoerd, werd de tarwe overgemaakt aan de militaire graanmolens die het graan tot bloem zouden malen. Antwerpen was het enige garnizoen die over dergelijke infrastructuur beschikte. Van hier uit werd de bloem verdeeld over de militaire bakkerijen waar ze werd gestockeerd en/of verwerkt tot brood. Alle voorname garnizoenssteden beschikten over een militaire bakkerij welke het afgewerkte product aan de omliggende kazernes leverde. Aalst en St-Niklaas bijvoorbeeld werden bevoorraad vanuit het garnizoen Dendermonde. Kleine en afgelegen kazernes, meestal in de Ardennen gelegen, konden beroep doen op een bakker in de stad, bvb. Bouillon en Philippeville.
In 1912 had men naar Frans model het systeem “mise du pain en commun” ingevoerd. Wat er op neer komt dat in plaats van het dagelijks verdelen van het rantsoen brood per man het nu in de refter op tafel werd gezet, iedere soldaat kon eten tot hij verzadigd was. Verspilling kon op deze manier beter gecontroleerd worden. Meermaals had men moeten vaststellen dat de soldaten het zwarte legerbrood niet altijd opaten, erger nog het werd weggeworpen en men kocht van zijn karige soldij (wit) brood in de stad.

Het dagrantsoen was 750 gram per dag en per persoon. In theorie werd het brood dezelfde dag nog aan de troepen gegeven, maar praktisch was het twee dagen later. De ingebakken datum op de onderkant van het brood was daar het bewijs van.

Naast het dagelijks brood was er ook nog een andere variëteit, namelijk het “pain de geurre” ook bekent onder de naam “biscuit”. Zoals de naam al doet vermoeden was dit voedsel bestemd voor noodrantsoenen en inderdaad bij manoeuvres of mobilisatie, wanneer de bakkers niet konden volgen, werd het uitgereikt. Voor de fabricatie werd een ongeveer zelfde deeg gebruikt als voor het gewone brood, alleen werd wat meer suiker en minder water toegevoegd. Het deeg was compacter en werd voor het bakken machinaal uitgerold, hierdoor ontstonden platte koeken van 135 gram elk. Vier van deze biscuits, verpakt in bruin papier en met een gewicht van 540 gram, vormden het dagrantsoen voor iedere soldaat.
De houdbaarheid werd in optimale condities op enkele jaren geschat. Na enkele maanden werd de smaak wel wat ranzig en kon er na het eten bij een aantal soldaten maag- en darmklachten ontstaan, ook winderigheid en diarree waren een niet onbekend gevolg. Alsof het vooruitzicht nog niet genoeg was het nuttigen van dit noodrantsoen al een opoffering, de koeken waren zo droog dat het bijna onmogelijk was om ze zonder te drinken binnen te krijgen. Blijkbaar was de oude soldatenkookkunst uit Napoleonistische tijden reeds uit de mode geraakt, toen werd (oud) brood samen met water, bier of wijn tot een papje gekookt. Door toevoeging van groenten en vlees bekwam men soep.

In Frankrijk was men het Japanse “oorlogsbrood” aan het bestuderen. Dit had tijdens de oorlog in Mantsoerije tot grote tevredenheid van generaal tot soldaat uitstekende diensten bewezen. De samenstelling was 12% suiker, 10% rijst en het overige bloem, de smaak was aangenaam, niet te droog en had een lange houdbaarheid. Frankrijk herleide de hoeveelheid suiker met de helft omdat dit nog niet zo in de smaak viel bij de soldaten en was tevreden met de reeds gevoerde experimenten. België volgde dit alles met grote belangstelling, of deze soldatenkoeken ook hun intrede zouden doen in het leger blijft een open vraag.

 

Vlees

De aankoop van het slachtvee dat uiteindelijk op het bord, of in de gamelle, van de troep moest belanden was ook aan regels onderworpen. De dieren werden aangeboden bij het militaire slachthuis en verschenen voor een commissie bestaande uit een militair intendant, een burgerlijk en een militair dierenarts en een officier die afgevaardigd was door de dienst “aankoop van levensmiddelen”. Om te beginnen moesten de toekomstige biefstukken er gezond en weldoorvoed uitzien, niet ouder zijn dan 9 jaar en van het type “demi-gras” zijn. Aanvaard werden koeien, ossen en vaarzen, stieren mochten slechts een klein gedeelte van het totaal uitmaken en mochten niet ouder dan 5 jaar zijn.

Nadat de dieren goedgekeurd werden voor de dienst werden ze in de hoorn gebrandmerkt en afgevoerd. Binnen de 24 uur werden ze geslacht, dit gebeurde door een driehoekige pin met een hamerslag in de kop van het dier te slaan. Bij lastige gevallen, vooral stieren, werd het geweer gebruikt. Het kadaver werd opgehangen zodat het zo snel mogelijk kon leegbloeden. Nadat de ingewanden verwijderd waren werd het overlangs gescheiden en nogmaals door een militair veearts aan een onderzoek onderworpen. De kwartieren liet men nu 6 uur rusten, waarna het werd gewogen en volgens de uitkomst van deze weging werd de veehandelaar betaald.
Het slachtafval (huid, bloed, darmen, nieren, lever, kop, uier etc) werd doorverkocht aan particuliere ondernemingen.
De volgende dag werden onder toezicht van een officier en de directeur van het militaire slachthuis de kwartieren verder versneden en naar behoefte verdeeld onder de eenheden van het district. Bij aankomst in de kazerne werd het onmiddellijk in grote ketels gelegd en met gepekeld water overgoten. In sommige kazernes beschikte men over een koelkamer, maar deze waren in de minderheid. Dit was ook het geval voor het keukenmateriaal en goed opgeleid keukenpersonneel. Meestal werd het vlees klein gesneden en gekookt (bouilli). Slechts een minderheid slaagde er in om karbonaden van biefstuk te onderscheiden en ze te serveren “comme il faut”.
Per man werd gerekend op 300 gram niet uitgebeend vlees, tijdens de manoeuvres 450 gram per dag.

 

Vis

Vanaf 1912 werd er sinds korte tijd vis aangekocht om afwisseling te brengen in het dagelijks rantsoen. Ook hier werden bepaalde regels en procedures gevolgd. Zo moest de vis afkomstig zijn van Belgische visserschepen of  moest op een Belgische markt verhandeld zijn. De  volgens het lastenboek toegestane soorten waren: kabeljauw, stokvis, knorhaan, wijting, brasem, koolvis, pladijs en schelvis. Haring komt in deze opsomming niet voor omdat hij volgens de militaire normen te vet was. Men mocht dezelfde vissoort slechts om de vier leveringen aanbieden. Bij zijn aankomst aan de kazernepoort werd deze gecontroleerd door de officier van wacht bijgestaan door een militair geneesheer, hun oordeel was onverbiddelijk. De vis moest vers ruiken, de kieuwen mooi rood en de ogen helder, gekuist en ontdaan van ingewanden. Zo er niet aan deze voorwaarden werd voldaan werd de handelaar weggestuurd, als alles in orde bleek te zijn werd hij per kilogram betaald.
Eens binnen de poorten werd de vis in koud water gelegd tot hij binnen de 48 uur kon worden verwerkt. Om de 12 uur moest het water volledig ververst worden. De kazernes die vis op het menu hadden staan moesten volgens het reglement beschikken over een speciale installatie die volledig verschillend was van de gewone keukenuitrusting. Het waren vooral de garnizoenen die dicht bij de kust of een zeehaven gelegen waren die aan deze voorwaarden voldeden. Vis werd twee maal per week in half rantsoen op tafel gebracht, dat wil zeggen dat er slechts bij een maaltijd per dag vis gebruikt geserveerd werd, de andere maaltijd werd met vlees toebereid.
Een van de bereidingswijzen was frituren, op deze manier werden de porties gewassen ingewreven met zout en in de bloem gewenteld, vervolgens werden zij in het frituurvet gelegd (varkens- of ossenvet). De tweede manier was koken in ongezouten water. Bij het 3é Linie dat te Oostende gekazerneerd was wist men dat de saus de vis maakte en voegde men aan een gedeelte van het kooknat peper, zout, mosterd en azijn toe. Deze saus werd dan met bloem gebonden.
Per man en per rantsoen rekende men op 450 gram vis, wat er op neer komt dat er per maaltijd een portie van 255 gram kreeg, graten inbegrepen.

 

Conserven

Omdat er bij mobilisatie of oefeningen niet altijd de mogelijkheid bestond om onze soldaten van vers vlees te voorzien werden er in een door het leger beheerd fabriek te Antwerpen vleesconserven gefabriceerd. Het vlees werd door de militaire slachthuizen geleverd. In deze fabriek werden zowel de blikken potten als de inhoud gemaakt. Een volledige beschrijving van het conserveringsproces zou ons te ver afleiden maar het is wel interessant om te weten dat eens de blikken klaar waren ze nog zes maand gestockeerd werden alvorens ze aan de troepen werden gedistribueerd. Tijdens deze periode was regelmatige controle een noodzaak, blikken die na een tijd bol kwamen te staan werden verwijderd. De dozen waren geverfd en voorzien van een etiket.
De fabriek had de volgende specialiteiten in zijn gamma:
Boeuf  bouilli: in bouillon gekookt rundvlees.
Pâté de viande: bestond voor vijf delen uit rundvlees en een deel varken, meestal spek zonder zwoerd of been. Het apart gekookt vlees werd gekruid, gehakt en gemalen tot een homogene pasta werd bekomen.
Boeuf cabonnades: aan de “double fond” werd gestoofde ajuin toegevoegd die samen met het vlees een product opleverde dat gelijkenis vertoonde met “Carbonnades Flamandes”.
Ragoût du porc: zoals voorgaande maar met rapen en wortelen.
Pâté de foie: gemalen en gekruide rundlever, spek, eieren. Geleverd in blikjes van 100 gram, de overige werden ingeblikt per portie van 300 gram.
Om verspilling te vermijden werd er ook vet en geconcentreerde bouillon aan de eenheden geleverd.

 

Extra levensmiddelen

In de kazerne bekwam de soldaat bovenstaande voedingswaren op kosten van de Staat. Het overige, aardappelen en groenten inclusief, werden aangekocht binnen de eenheden en betaald door de soldaten. De soldij bestond uit een bruttobedrag waarop per uitbetaling de kosten van kledij, voeding en dergelijke werden ingehouden. Het afbetalingsplan werd nauwkeurig bijgehouden in het “livret militaire”.
De aanvullende voeding stond in militaire termen bekend als “les vivres de ménage”. In oorlogstijd of tijdens de “Grote Manoeuvres” werd ook een gedeelte hiervan op staatskosten verdeeld. Deze dagtoelage kreeg de naam “petits vivre” en bestond uit 15 gram koffie, 30 à 90 gram rijst afhankelijk van de kwantiteit van het vlees, 25 gram zout, ½ gram peper, 45 gram suiker. Het overige, alweer aardappelen en groenten inclusief, werd op verstrekt op dezelfde manier als in de kazerne.
Wanneer de omstandigheden het niet toelieten om deze extra’s ter bestemming te krijgen werden “petits vivre comprimés” uitgereikt, m.a.w. rantsoenen in een gedroogde en samengeperste vorm. Het eerste deel liet de soldaat toe een soepje te maken en was samengesteld met erwten en uien in gedroogde poedervorm, vleesextract, vet en peper en zout. Ten tweede koffie, cichorei en suiker en tenslotte een pastille van 25 gram zout. Het geheel van bestond uit drie tabletten elk verpakt in een soort aluminiumfolie (papier d’etain), samengehouden in een cilindervormige tube die verpakt werd in papier en voorzien van een gebruiksaanwijzing.

 

Het dagelijkse menu bij het Regiment Karabiniers,
Brussel anno 1912

 

Dag

Ontbijt

Middagmaal

Avondmaal

Zondag

Brood, koffie met melk, boter, kaas

Soep van groene boontjes, bouilli, aardappelen

Aardappelen, spek met ajuinsaus

Maandag

Brood, koffie met melk, boter

Rijstsoep, vlees uit blik, aardappelen

Karbonaden, aardappelen, ajuinsaus

Dinsdag

Idem

Ajuinsoep, biefstuk, aardappelen

Gehaktballen, aardappelen, saus

Woensdag

Idem

Erwtenpuree, karbonaden, aardappelen

Wit brood, boter, koffie met melk, biefstuk

Donderdag

Idem

Vermicellisoep, biefstuk, aardappelen

Vlees uit blik, aardappelen, ajuinsaus

Vrijdag

Idem

Soep, vis, botersaus, aardappelen

Wit brood, boter, koffie met melk, biefstuk

Zaterdag

Idem

Erwtenpuree, biefstuk, aardappelen, bier

Aardappelen, groene bonen

 

Volgens toenmalige berekening kreeg de Belgische soldaat gemiddeld dagelijks 3.200 calorieën toegediend, wat ruim voldoende was om zijn dagelijkse activiteiten te volbrengen zonder honger. Een doorsnee arbeidersgezin moest het met minder doen.

 

Het spreekt voor zich dat dit artikel niet alles vertelt. Brieven, dagboeken en andere getuigenissen uit deze periode geven meestal een ander beeld van het soldatenleven en –eten. Als voorbeeld, weliswaar in uitzonderlijke omstandigheden, een kaartje dat soldaat Edouard Baeten, 5é Lansiers, op 2 augustus 1914 vanuit Mechelen naar zijn moeder stuurde.

Beste moeder en familie,

Ik laat u weeten dat ons regiment dezen nacht vertrekt voor Gembloux, maar wij zullen daar niet blijven, want wij zullen waarschijnlijk naar Luxembourg, want de Duitschers liggen tegen de grenzen in ’t Groot-Hertogdom Luxembourg.
Wat zal daar van komen, zouden wij nog moeten vechten, ik vraag het mij af. Ik ben content dat ik wat geld gekregen heb, want anders was ik al half dood van honger; want dat is hier iets, de menschen brengen nu en dan wat boterhammen en coffie, maar ze vechten compleet erom.
Wij hebben al veel afgezien en wij zijn  nog niet buiten de caserne geweest, wat zal het nog geven als wij eens er uit zijn.
Wij hebben allemaal 90 cartouches à balles gekregen en onze sabels en lansen geslepen. De tranen zouden iemand in de oogen komen als men de vrouwen met kinders en als van de mannen die getrouwd zijn ziet komen en die allemaal binnen zijn. Ik moet eindigen; als ik de occassie heb, zal ik u laten weeten.

De hand van verre

Edouard

 

 

Bron: La Vie Militaire, Revue mensuelle illustrée, aout 1912 – mai 1913. “L’alimentation du soldat” Een artikelenreeks geschreven door sous-intendant militaire J. Thys.

 

 

Inhoud