![]()
De Oprichting van de Belgische
Krijgsmacht 1830-1832
Algemeen
De oprichting van het leger verliep parallel met de oprichting van de Belgische
staat. Na de woelige septemberdagen (23-26 september 1830) werd er een Voorlopig
Bewind gevormd, dat op 4 oktober onze gewesten onafhankelijk verklaarden. De
toekomst van de nieuwe Staat was daar echter nog niet mee beveiligd. Men had de
gevestigde orde omvergeworpen, en die moest nu vervangen worden.
De effectieven waarover men kon beschikken om een leger samen te stellen, waren
van diverse oorsprong:
1. Het ex-leger van de Nederlanden. Qua manschappen bestond het hoofdzakelijk
uit Belgen, vrijwilligers en dienstplichtigen. De meeste van die soldaten waren
gedeserteerd om niet tegen hun landgenoten te moeten oprukken. Het Voorlopig
Bewind had ze bovendien op 26 september 1830 ontslagen van elke verplichting
tegenover Koning Willem, die ten andere vanaf 23 oktober alle Belgen die nog bij
de Nederlandse troepen ingelijfd waren, met onbepaald verlof stuurde.
2. Naast de manschappen in actieve dienst waren er nog reservisten die tot de
vroegere militieklassen hadden behoord en in onze gewesten woonden.
3. De laatste categorie werd gevormd door patriotten die openlijk tegen de
Hollanders in opstand waren gekomen en die zich in gewapende groepen hadden
verenigd. Dit waren de Vrijkorpsen.
4. Er waren daarenboven enkele korpsen opgericht die niet tot de bovenstaande
groepen konden gerekend worden.
Dat alles gebeurde onder moeilijke omstandigheden, de tijdens militaire
operaties, tussen oktober en november 1830, en later onder voortdurende
vijandelijke bedreiging, van november 1830 tot augustus 1831. De reorganisatie
nam daardoor 10 maanden in beslag, namelijk de hele periode tussen de
onafhankelijkheidsverklaring op 4 oktober 1830 en het begin van de Tiendaagse
Veldtocht op 2 augustus 1831.
De Legerleiding
Op regeringsvlak werd er door het Voorlopige Bewind
een superviserend orgaan opgericht, dat later het Ministerie van Oorlog zou
worden. Het heette achtereenvolgens: Comité de la Geurre (27-09-1830),
Commission de Geurre (14-10-1830) en opnieuw Comité de la Geurre vanaf 27
oktober 1830.
Aan het hoofd van die instelling stond vanaf 27 september André JOLLY, toen
Commissaris-Generaal van Oorlog genoemd. Hij was tevens lid van het Voorlopige
Bewind. Deze man, nog vrij jong (geboren in 1799), had van 1818 tot 1823 als
Genieofficier gediend in het voormalig Nederlands leger. Nadat hij gedurende
twee dagen (7-8 oktober 1830) door Divisiegeneraal GOETHALS vervangen werd bood
hij zijn ontslag aan op 31 oktober 1830 en werd hij opgevolgd door Kolonel
GOBLET. In 1811 had laatsgenoemde de Ecole Polytechnique van Parijs verlaten.
Als Onderluitenant van de Genie nam hij deel aan de laatste veldtochten van het
Franse Keizerrijk. Daarna ging hij over naar het leger der Nederlanden, waar hij
de rang van Kapitein voerde. Kolonel op 15 oktober en Generaal-Majoor op 31
januari 1831, werd die man op 26 februari onze eerste Minister van Oorlog.
Op 21 januari 1831 werd op ministerieel vlak een administratieve directie voor
het Ministerie van Oorlog opgericht. Ze bestond uit 5 bureaus die
respectievelijk bevoegd waren voor soldij, de kledij en de uitrusting, de
bevoorrading, de gezondheidszorg en de financies. Ook het administratief
toezicht en de directie van de Artillerie en van de Genie werden er aan
toegevoegd.
Te velde werd aanvankelijk het opperbevel waargenomen door Luitenant-Kolonel don
JUAN VAN HALEN, een Spaans avonturier van Belgische afkomst, met een eerder
bedenkelijk verleden. Omdat hij vreemdeling was, werd hij op 5 oktober 1830
vervangen door Brigadegeneraal Lambert NYPELS uit Maastricht, oud-Kolonel van de
3é afdeeling van de Hollandse Infanterie.
De Infanterie
Voor de infanterie (en een gedeelte van de cavalerie en artillerie) gebruikten
de Hollanders de benaming “Afdeeling”. Dit omvatte een staf, drie actieve en één
reserve bataljon, die elk uit vier compagnieën bestond, en een schoolcompagnie.
In totaal waren er 18 “Afdeelingen” waarvan er 11 in onze contreien waren
gekazerneerd. De soldaten van de 11 in onze provincies gelegerde eenheden waren
Belgen, terwijl de officieren meestal van Hollandse afkomst waren. De infanterie
rekruteerde op regionaal vlak en bezaten vrijwel geen vrijwilligers. Dit
verklaart waarschijnlijk de massale desertie.
De organisatie van de infanterie werd toevertrouwd aan Divisiegeneraal GOETHALS.
Tijdens de tweede helft van oktober 1830 ging men over tot de reorganisatie van
deze “Afdeelingen”. Er werden hoofdofficieren aangewezen. Op 10 oktober 1830
kregen de Belgische officieren en onderofficieren het bevel om zich zo vlug
mogelijk bij hun eenheden te voegen.
Op 14 oktober werd het order uitgevaardigd dat elke “Afdeeling” vanaf 15
november 1830 tenminste twee bataljons in staat van paraatheid moest houden om
bij het eerste teken op te rukken.
Twee dagen later werd besloten om de “Afdeelingen” voortaan Regimenten te
noemen. Een besluit van 27 oktober 1830 annuleerde voorgaand besluit van 16
oktober, mar voor de infanterie bleven vroeger genomen maatregelen van
toepassing. Op dat ogenblik waren nog geen besluiten kenbaar gemaakt qua naam of
nummering van de nieuwe Belgische regimenten. Korte tijd later werden ze echter
aangeduid met de naam van de stad waar ze oorspronkelijk tijdens het Hollands
Bewind gelegerd waren. Hierop waren twee uitzonderingen, namelijk:
1. Het 1é Linie, voortgekomen uit de 1é “Afdeeling” werd in Brussel opgericht.
De overeenkomende “Afdeeling” had in de loop van voorgaand jaar de hoofdstad
geruild met Antwerpen als garnizoensplaats.
2. Omdat Maastricht nog in Hollandse handen was gebleven, moest het analoge
Regiment in Liège opgericht worden.
Op 25 november 1830, werden deze namen geschrapt en vervangen door nummers (zie
tabel). Zo werden de eerste Belgische Linieregimenten gevormd. Elk regiment
bestond uit een staf, drie bataljons van zes compagnieën (waarvan 1 grenadiers
en 1 lichte infanterie) en een depot. De getalsterkte per regiment: 102
officieren en 3.421 manschappen, waarvan 13 officieren en 488 onderofficieren en
soldaten het depot bemande.
| Oude benamming | Nieuwe benaming | Uiteindelijke benaming |
| "# Afdeeling" | "Regiment van #" | "# Linieregiment" |
| 1 | Brussel | 1 |
| 3 | Mons | 3 |
| 4 | Tournai | 4 |
| 6 | Brugge | 6 |
| 11 | Liège | 11 |
| 12 | 1é de Namur | 2 |
| 14 | Maastricht | 5 |
| 15 | Antwerpen | 7 |
| 16 | Ieper | 8 |
| 17 | Gent | 9 |
| 18 | 2é de Namur | 10 |
De Cavalerie
Voor de Revolutie bestond de Nederlandse ruiterij uit:
1. Vier Kurassier “Afdeelingen”, nummers 1, 2, 3 & 9.
2. Twee regimenten Lichte Dragonders, nummers 4 & 5.
3. Twee Huzarrenregimenten, nummers 6 & 8.
4. Eén regiment Lansiers, nummer 10.
Sommige van die eenheden waren gekazerneerd in onze contreien, zoals:
1. Het 2é Kurassiers te Liège.
2. Het 4é Lichte Dragonders te Mechelen.
3. Het 6é Huzaren te Tournai.
4. Het 8é Huzaren te Gent.
Elk regiment of “Afdeeling” bestond uit 4 eskadrons en rekruteerde vrijwilligers
uit het hele (Nederlandse) Koninkrijk. Alleen de Kurassiersregimenten bestonden
uit 2 eskadrons vrijwilligers en 2 eskadrons dienstplichtigen.
De organisatie van de Belgische cavalerie stond onder leiding van
Brigadegeneraal de CHASTELER. Op 14 oktober 1830 werd een order uitgevaardigd
dat alle toekomstige cavalerieregimenten om tenminste 2 eskadrons in staat van
paraatheid te houden.
Het besluit van 24 oktober 1830 richtte volgende regimenten op:
1. Het 1é Kurassiers te Liège met oudegedienden van het 2é Kurassiers.
2. Het 1é Jagers te Paard te Tournai met oudegedienden van het 6é Huzaren.
3. Het 2é Jagers te Paard te Gent met oudegedienden van het 8é Huzaren.
4. Het 1é Lansiers te Tervuren met oudegedienden van de twee regimenten Lichte
Dragonders en het Lansiersregiment.
5. Het 2é Lansiers te Namur werd op 27 oktober 1830 opgericht met ruiters van
het vroegere Nederlandse leger.
De getalsterkte van een regiment bedroeg 47 officieren en 735 ruiters, waarvan 6
officieren en 81 manschappen voor het depot.
De Artillerie
Voor de Revolutie bestond de Nederlandse Artillerie uit:
1. Vier veldartilleriebataljons, nummers 1 tot 4, elk met zes compagnieën,
waarvan een voor het depot.
2. Zes artillerie van de nationale militie, nummers 1 tot 6, elk met zes
compagnieën, waarvan een reserve
3. Een “afdeeling” rijdende artillerie
4. Een artillerietrosbataljon
5. Een “Afdeeling” pontonniers
6. Twee compagnieën artilleriewerklieden
Sommige van die eenheden waren gekazerneerd in onze contreien, zoals:
1. 2é bataljon veldartillerie te Mons
2. 2é Artilleriebataljon van de Nationale Militie te Ath
3. 5é Artilleriebataljon van de Nationale Militie te Namur
Zoals bij de infanterie het geval was waren ook bij de artillerie een groot
aantal eenheden gedetacheerd. Het gros van het 5é Militiebataljon telde
nauwelijks 3 compagnieën, de overigen bevonden zich te Mariembourg,
Philippeville en te Dinant. De veld- en rijdende artillerie rekruteerde
vrijwilligers uit het ganse koninkrijk. De militieartillerie bestond volledig
uit dienstplichtigen.
Een besluit van 27 oktober 1830 stelde het aantal Belgische artillerie-eenheden
voorlopig vast op twee. Pas in november werd begonnen met de organisatie onder
de verantwoordelijkheid van Luitenant-Kolonel de GHISTELLES.
Het besluit van 10 november 1830 zorgde voor de oprichting van volgende
compagnieën:
1. Te Mons werden 5 compagnieën veldartillerie opgericht, nummers 1 tot 5, met
oudegedienden van het vroegere Veldbataljon n°2.
2. Te Ieper, 5 compagnieën militieartillerie, nummers 1 tot 5, met
dienstplichtigen van het vroegere Militiebataljon n°2.
3. Te Namur, 5 compagnieën militieartillerie, nummers 6 tot 10, met
dienstplichtigen van het vroegere Militiebataljon n°5.
4. Te Charleroi, een compagnie vestingskanonniers.
Later werden nog andere compagnieën opgericht.
5. Te Liège, 5 compagnieën militieartillerie, nummers 1bis tot 5bis. (november
1830)
6. Te Tournai, 5 compagnieën veldartillerie te voet, nummers 6 tot 10. (10
december 1830)
7. Te Antwerpen, 1 compagnie artilleriewerklieden (10 december 1830)
8. Te Liège, 2 compagnieën tros met personeel van het vroegere
artillerietrosbataljon. (10 december 1830)
9. Te Tournai, een depotcompagnie. (11 juni 1831)
Van de 10 compagnieën veldartillerie te voet waren er 6 bewapend met 6-ponders
en 4 met 12-ponders. De militieartillerie stond in voor de verdediging van de
vestingen Door een tekort aan middelen kon geen bereden artillerie worden
gevormd.
Een compagnie veldartillerie bestond uit 4 officieren en 143 manschappen, de
militieartillerie eveneens 4 officieren maar slechts 119 manschappen. Een
compagnie 6-ponders had vier stukken van 6 pond en twee houwitsers van 15 cm.
Een compagnie 12-ponders idem, maar met stukken van 12-pond.
De Genie
Voor de Revolutie bestond de Nederlandse genie uit twee bataljons
sappeurs-mineurs, met elk 4 compagnieën die in Holland gekazerneerd werden. Op
27 oktober 1830 werd in België besloten tot de oprichting van een gelijkaardig
korps. Voor het plan definitieve vorm kreeg zou men moeten wachten tot 22
januari 1831, toen werd te Liège een bataljon met zes compagnieën op de been
gebracht.
Getalsterkte: 37 officieren en 1056 manschappen.
De Gezondheidsdienst
Aan de gezondheidsdienst werd van in den beginne veel aandacht besteed. Reeds op
30 september 1830 werd een commissie opgericht, onder toezicht van dokter
Vleminckx, om deze dienst te organiseren. Door de Regent werden twee besluiten
uitgevaardigd, op 5 januari en 30 april 1831, dat de dienst moest georganiseerd
worden op het niveau van troepenkorpsen en van de hogere echelons. Voor elk
legerkorps, dat ongeveer 10.000 man sterk was, werd een ambulancecompagnie
opgericht. Getalsterkte: 30 officieren (= 11 dokters, 16 assistenten en 3
apothekers) en 139 manschappen.
De bestaande gezondheidsdienst uit de Hollandse tijd werd bij besluit van 14 mei
1831 gereorganiseerd.
Er werden zes militaire hospitalen 1é klasse opgericht te:
1. Brussel
2. Leuven
3. Antwerpen
4. Gent
5. Mons
6. Namur
Vier van 2é klasse te:
1. Liège
2. Ieper
3. Brugge
4. Tournai
In negen minder belangrijke garnizoenen werd een infirmerie ingericht, deze
bevonden zich te:
1. Arlon
2. Aalst
3. Bouillon
4. Dendermonde
5. Mechelen
6. Nieuwpoort
7. Oostende
8. Roermond
9. Venlo
De Militaire Rechtspaak
Een militaire rechtspraak was in deze periode een hoofdvereiste. Onder het
Hollans regime werd de tucht en rechtspleging geregeld door een strafwetboek en
een tuchtreglement daterende van 15 maart 1815 en het reglement op de
strafrechtspleging van 20 juli 1814. Het besluit van 27 oktober 1830 behield
deze voorwaardelijk met uitzondering van de gehate lijfstraffen. Op 7 oktober
werden de stokslagen afgeschaft als zijnde “beledigend
voor de Belgische soldaat en een aanslag op de menselijke waardigheid”.
Op 6 januari 1831 werd het Belgische Hoger Militair Gerechtshof te Brussel
geïnstalleerd.
De Sedentaire Compagnieën
Op 20 november 1830 werden er drie speciale korpsen met vrijwilligers gevormd,
die bestemd waren om de gevangenissen van Gent, Vilvoorde en Saint-Bernard te
bewaken.
Deze korpsen werden op 22 januari 1831 omgevormd tor sedentaire compagnieën.
Getalsterkte: 4 officieren en 221 manschappen
De eenheden
ontstaan uit de Vrijkorpsen
De eenheden van het toenmalige Belgische leger speelden een eerder passieve rol
tijdens de revolutie. Het waren voornamelijk de hoofdstedelijke patriotten,
bijgestaan door kleine groepjes vrijwilligers uit de provincie, die de
Hollanders uit onze gewesten verdreven. Vanuit al de provincies en het
buitenland (vooral Frankrijk) stroomden vrijwilligers toe. Zowel om militaire
reden als voor het herstel van de rust drong zich de noodzaak op dat er orde op
zaken werd gesteld. Daags na de inname van Antwerpen (27 oktober 1830) begon men
homogene groepen te vormen, ter sterkte van een bataljon. Deze bataljons werden
daarna gegroepeerd in drie vrijwilligersbrigades die respectievelijk onder bevel
kwamen van:
1é Brigade onder MELLINET, verliet op 11 november 1830 Antwerpen om zich op te
stellen in de Noorderkempen op de lijn Essen-Wortel met Wuustwezel als
hoofdkwartier. De 1é brigade werd op 24 november 1830 vervangen door de 3é. De
bevelhebber werd op 19 december 1830 vervangen door Kolonel L’ESCAILLE, een
veteraan uit het Oostenrijks en Franse leger.
2é Brigade onder NIELLON, stelde zich tezamen met de 1é Brigade op tussen Weelde
en Arendonk, Turnhout werd het hoofdkwartier.
3é Brigade onder Luitenant-kolonel FONSON, bleef tijdelijk in Antwerpen om de
citadel in het oog te houden (zie 1.) De 1é en de 3é Brigade zouden gans de
winter van 1830-31 op hun stellingen blijven waar ze erg te lijden hadden onder
de kou en de slechte bevoorrading.
Deze beslissing door Generaal NYPELS genomen op 28 oktober 1830 werd in enkele
dagen tijd uitgevoerd. Vele vrijwilligers keerden hierdoor huiswaarts. Ze waren
niet gekomen om onder de militaire discipline te dienen, maar om te strijden
onder door hun zelf gekozen chefs.
Op 1 november 1830 werden de eerste maatregelen getroffen om de vrijkorpsen
officieel te erkennen.
Het bataljon onder bevel van Luitenant-kolonel VAN DEN ELSKENS (alias BORREMANS)
kreeg de benaming 1é Jagers te Voet. Het werd versterkt met andere
vrijwilligerformaties, zoals:
-18 februari 1831, Vrijwilligers van Luitenant-kolonel Ernest GRÉGOIRE. Dit
bataljon was ontbonden na verraad van zijn chef. Voorheen (22-12-1830) 2é
Bataljon Tirailleurs ontbonden op 09-02-1831.
-11 mei 1831, het Vrijkorps van Majoor AULARD.
-Later werden nog andere vrijwilligersformaties toegevoegd.
De getalsterkte en structuur van het regiment leek sterk op dat van de
infanterie, doch de eenheid op zich was “anders”.
Een Luiks bataljon, theoretisch onder bevel van Charles ROGIER maar praktisch
geleid door Majoor LOCHTMANS, werd op 21 november 1830 omgevormd tot een
bataljon Jagers en kreeg op 9 februari de naam 1é Bataljon Tirailleurs.
Op 30 maart 1831 verscheen een besluit dat van de Vrijkorpsen regimenten
maakten. Als gevolg daarvan werden de drie hoger genoemde Brigades:
-1é Brigade werd het 12é Linie.
Met toevoeging van: de Groen Jagers van DUVIVIER, de vrijwilligers van Diest en
Mechelen (1é Bataljon Vrijkorpsen), het bataljon van Namur o.l.v. GILLAIN; de
Luikse compagnie van JAMOLET en de Brusselse van BAYS (2é Bataljon Vrijkorpsen),
de compagnieën van Mons, Braine-l'Alleud, Jemappes, Baisy-Thy, Nivelles,
Charleroi, Soignies, Leuze, Kortrijk en Ronse (4é Bataljon Vrijkorpsen of het
Waals Legioen), de compagnieën van Ath en Geraardsbergen (6é Bataljon
Vrijkorpsen) en het Belgische-Parijse Legioen.
-2é Brigade werd het 2é Jagers te Voet
-3é Brigade werd het 3é Jagers te Voet
Met toevoeging van: de Verkenners (Voltigeurs) van SCHAVEYE, de Belgische Jagers
van BRAIVE, de Inséparables van BLACK, en de tirailleurs van MOLÉSINI-SAUTEL..
De overgrote meerderheid van de Vrijkorpsen bestond uit infanterie, toch bezat
ze enkele cavalerie en artillerie elementen .
Voor de cavalerie o.a.: de vrijwilligerscompagnie Kozakken van de Maas opgericht
te Liège door de gebroeders LUCAS. Deze eenheid had zich verdienstelijk gemaakt
bij de inname van Venlo. Op 4 februari 1831 kreeg ze de naam Compagnie van de
Gidsen, het latere Regiment Gidsen.
Voor de artillerie o.a.: de artillerie van de Brusselse Burgerwacht, opgericht
eind augustus 1830, had zich in de hoofdstad ingezet en vergezelde achteraf de
troepen van MELLINET. Na de Tiendaagse Veldtocht werd ze een deel van het
geregeld leger als de 11é Veldcompagnie.
De artillerie van Majoor KESSELS, te Leuven opgericht, had ook MELLINET gevolgd
maar werd in februari 1831 ontbonden.
![]()
![]()