INHOUD

Het Soldatenleven 1830-1914

Patrick De Wolf

1. De Loting

Een stukje (voor-)geschiedenis.

Nogal dikwijls wordt het verfoeide systeem van conscriptie, loting en dienstplicht als uitvinding toegeschreven aan Keizer Napoleon I. Conscriptie, oftewel het te boek stellen van een categorie personen voor militaire dienst, was reeds in het Ancien Régime in gebruik. Vele gewesten eisten de oproepbaarheid van alle weerbare mannen in de leeftijdscategorie van 16 tot 60 jaar. Een vroeg voorbeeld waren de compagnies boogschutters die moesten geleverd worden aan het einde van de Honderjarige Oorlog in 1448. De Franse koning Karel VII (°1403-+1461) eiste toen dat ieder dorp een uitgeruste boogschutter moest zenden om in deze eenheden te dienen.
Het systeem van loting was een Italiaanse uitvinding, die voor het eerst door de Medici’s werd gebruikt in 1570. Hierdoor ware zij in staat om met   de Florentijnse stadsmilitie geheel Toscane te beheersen.
In Frankrijk waar de baljuws de dienstplichtigen moest aanduiden, wat met willekeur en vooral omkoperij gepaard ging,  werd de loting ingevoerd door de regering van Lodewijk XIII (°1601-+1643). De raadgevingen van de moeder van deze vorst, Maria de Medici, zal hier wel niet vreemd aan geweest zijn.
In onze gewesten werd de loting ingevoerd onder de moeilijk  gestarte regeerperiode van Filips V van Spanje. In deze tijd van Spaanse overheersing en Successieoorlogen werd het lot getrokken uit een hoed. De Franse afkomst van deze vorst en zijn legeraanvoerder maarschalk J.F. de Puségur (°1655-+1743) zorgden voor het voortbestaan van een Italiaanse « traditie ».
Het was dan alweer de Franse koning Lodewijk XV (°1710-+1774) die in 1773, om het aanhoudende bedrog tegen te gaan, zou verplichten dat de trekking gebeurde uit een hoed die op hoofdhoogte werd gehouden. Een keuringsraad weerde achteraf de minst valide kandidaten.
De Staten-Generaal van 1789 schafte de conscriptie af op basis van de vele klachten en misbruiken. Dit leide al snel tot een onderbezetting van de krijgsmacht. Teneinde hoofd te kunnen bieden aan de vijandelijke Europese Coalitie uit die tijd werd er op 24 februari 1793 door de Conventie beslist om een oproeping te doen van 300.000 manschappen. Voorheen bestonden de meeste legers uit 50 à 60.000 man, wat meteen de tijd van massalegers en industriële revolutie inluidde met een groeiend nationalisme als gevolg. De verantwoordelijk voor deze lichting gaf de Franse staat aan de departementen, die opnieuw de gehate loting invoerde. De wet Jourdan van 19 Fructidor van het jaar VI van de Franse Republiek (= 5 september 1798) voerde de conscriptie weer in. Daar onze gewesten sinds midden 1794 deel uitmaakten van Frankrijk waren Belgische jongens tussen de 20 en 25 jaar verplicht deel te nemen aan het systeem. In vredestijd was de dienstplicht bepaald op 5 jaar, in oorlogstijd was ze van onbeperkte duur. In 1798 werd tijdelijk de vervanging weer ingevoerd, vanaf 1800 was ze definitief .
De legerdienst zou een van de oorzaken zijn die leidde tot de Boerenkrijg in oktober-december 1798 in onze gewesten maar ook in Frankrijk zelf bood ze de royalisten de kans om hun posities te verstevigen.
Spoedig nadat de Verbondenen het toenmalige België hadden bevrijd werd de conscriptie bij besluit van 31 januari 1814 opnieuw afgeschaft. Enkele Belgische regimenten, die uit vrijwilligers bestonden, bleken al vlug onderbemand te zijn. Nadat Napoleon uit zijn verbanningsoord Elba was ontsnapt riep de vorst van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op 1 en 13 april een nationaal militiekorps in het leven. Dit contignent werd verspreid over de zuidelijke departementen (België) en bestond uit vrijwilligers en dienstplichtigen (lotelingen). Voor deze laatste was er een systeem van vervanging mogelijk.
Nadat de Franse Keizer te Waterloo definitief was verslagen vaardigde de constitutie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op 25 augustus 1815 een besluit uit waardoor de conscriptie en loting opnieuw werden ingevoerd. Funamenteel behield men dezelfde instellingen als deze die in gebruik waren tijdens de Napoleonistische periode, maar men verzette zich krachtdadig tegen de vele misbruiken. Een artikel (207) voorzag wel de loting maar ook de volledige vrijstelling. Een wet uit 1817 ging nog verder en nam enkele besluiten over van de Bataafse Republiek uit 1802. De kleine lichtingen die als dusdanig werden opgeroepen stonden in schril contrast met de enorme contignenten die voor het leger van Napoleon werden geloot. De gematigde toepassing in een een vreedzame periode die volgde zorgde er voor dat het nieuwe regime een zekere poulariteit genoot.

 

2. België vanaf 1830

Voor informatie aangaande de oprichting van het Belgische leger KLIK HIER

Na de Onafhankelijkheidsverklaring zou het jonge België de militiewetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden blijven hanteren. Deze had uitdrukkelijk gesteld dat het leger voor het grootste deel uit vrijwilligers moest bestaan. De inwoners van de jonge monarchie voelden zich niet tot Mars aangetrokken en zodoende bleef de loting de voornaamste bron van rekruten.
Bij de militiewet van 1817, artikel 60, werd bepaald dat alle jonge mannen aan de loting moesten deelnemen in het jaar dat ze 19 werden. Dit gold niet alleen voor de Belgische jongemannen, maar ook voor de in ons land permanent verblijvende vreemdelingen ! Deze laatsten werden achteraf meestal vrijgesteld van dienst. In het negentiende levensjaar moesten de jonge mannen zich laten regristreren op het politiecommissariaat van de wijk. Vanaf 1843 werden er vragen gesteld bij de
« te » jeugdige leeftijd van de « conscrits », dit zorgde ervoor dat de leeftijd werd behouden maar dat ze pas 2 jaar later werden opgeroepen voor dienst. De wet van 8 mei 1847, met rechtskracht vanaf nieuwjaar 1848 bepaalde dat de jongelingen pas zouden worden opgeroepen in hun twintigste levensjaar. De gebrekkige administratie zorgde voor heel wat ontduiking, doch de staat betrouwde zich op de sociale controle. Iedereen had het recht de registers in te kijken en kon melding maken van « afwezigen ». De druk van het milieu was van die aard dat niemand openbaar tot verklikking durfde overgaan. Theoretisch eindigde de conscriptie op 28 januari en ging men wettelijk op 1 maart over tot de trekking , m.a.w. de beruchte « loting ». Jaarlijks werden de officiële data gepubliceerde in de voornaamste dagbladen, tot driemaal toe, en via aanplakbrieven. Tevens ontving de betrokkene, of zijn ouders, een « uitnodiging » voor de loting.
Op een « droeve maartdag » trokken de kandidaat-soldaten naar de hoofdplaats van het militiekanton. Om de goede gang van zaken te waarborgen eiste de militiecommissaris dat de veldwachter van de gemeente, meestal uitgedost in zijn beste uniform, de jongelui zou begeleiden. In grotere gemeenten gebeurde dit soms met de plaatselijke fanfare op kop. In de stad heerste een gespannen drukte waar vooral de herbergen zich aan te goed deden. Onder invloed van Bacchus kwam het regelmatig tot rellen tussen rivaliserende dorpen en dikwijls vloeide bloed. Angstige handelaars sloten hun ramen en deuren af en het plaatselijke garnizoen kwam de orde herstellen. Soms waren de rellen zo hevig dat de trekking moest uitgesteld worden tot latere datum.
De commissie was samengesteld uit een militiecommissaris, die minstens de graad van luitenant-kolonel had, één officier en twee onderofficieren. Als getuige fungeerden twee gemeenteraadsleden die in naam van de dorpsgemeenschap moesten garant staan voor het wettelijk verloop van de operatie. Vervolgens werden de kandidaten per dorp, in de zaal binnengelaten, de rest wachte buiten. Allen werden gemeten. De overheid stelde veel belang in deze meeting, als bewijs kan aangevoerd worden dat het meetinstrument jaarlijks officieel moest geijkt zijn. Vermits ook zij die recht op vrijstelling hadden moesten gemeten worden krijgen wij hierdoor een goed overzicht op de gestalte van onze mannelijke voorouders. Vervolgens nam de voorzitter een aantal briefjes, die met een nummer waren bedrukt, parafeerde deze en stak ze in een kokertje. Daarop gooide hij deze in een urne, trommel of iets gelijkaardig en telde de kokertjes met luide stem. In alfabetische volgorde trok men een nummer, overhandigde dit aan de voorzitter die het met een potlood uit het hulsje nam en voorlas. Het nummer werd onmiddellijk ingeschreven in het militieregister en het papiertje werd terug aan de loteling gegeven.

Jaarlijks maakte de Krijgsmacht een tabel op met het aantal mannen dat nodig was om de regimenten op sterkte te houden. Op bassis van deze gegevens werd berekend hoeveel personen er moesten geloot worden per provincie, kanton, stad of gemeente. Jaarlijks werden zodoende 10.000 (vanaf 1869 12.000) jongelingen gevraagd om het vaderland te dienen. Dit betekende, rekening houdend met de toenmalige bevolking dat ongeveer 1 op 410 Belgen onder de wapens moest, voor de twintigjargen was de verhouding ongeveer 1 op 4.
In de praktijk kwam dit erop neer dat de lage nummers, oftewel deze lager of gelijk aan het aantal dat nodig was om de sterkte van het contignent te garanderen, zich er hadden « ingeloot ».

Om het goede, of slechte, nieuws thuis te melden hadden velen een duif meegebracht, doch in geval van een « slecht » lot werd het diertje nogal dikwijls uit pure frustratie de nek omgedraaid. In de hoop een « goed » lotje te trekken waren er vele gebruiken in omloop, verschillend van streek tot streek, geloof en/of bijgeloof voerden hier de hoofdtoon.

Nadat het lotje terug gegeven was wist men wat de toekomst brengen zou en ging men in groep zijn verdriet of geluk bedrinken. De gelukkigen tooiden zich met veelkleurige papieren bloemen en slingers, het « geluksnummer » op de revers of hoed gespeld en begon de grote kroegentocht. De spanning waarvan men verlost was zorgde voor een uitgelaten sfeer, die naargelang de tijd en het drankverbruik vorderde dikwijls in ware veldslagen eindigde. Het plaatselijke garnizoen was regelmatig het slachtoffer van spot, en daar deze zich niet wilden laten kennen en er bij hun uitgangstenue een bajonet of sabel hoorde ……
De terugweg naar huis werd gemarkeerd door vernielingen aan afsluitingen en dergelijke. De plaatselijke bevolking bekloeg zich soms, maar meestal werd dit getolereerd als de ontknopping van maandenlange spanning.
Voor wie er zich uitgeloot had vervaagde al snel deze gebeurtenis in de sleur van het dagelijkse leven. Wie eringeloot was daar en tegen brak een nieuwe periode van angstige spanning aan, de oproeping en inlijving. Het zoeken naar een al dan niet vermeende reden van vrijstelling vormde een van zijn grootste kopzorgen. Een andere mogelijkheid om te ontsnappen aan de hel, die « kazerne » werd genoemd was de vervanging.
Maar voor iedere jongeling was de loting een mijlpaal in zijn leven, de scheiding tussen kind zijn en volwassenheid. Vanaf deze dag mocht hij op café gaan, dansen en verkeren en zijn mening verkondigen. De keerzijde van de medaille was dat hij van zijn peetouders geen geschenken meer mocht ontvangen met Nieuwjaar. ;-)
 

Hoe men trachte het geluk een handje te helpen

 

De loting en dienstplicht hebben altijd deel uitgemaakt van het dagelijks leven van onze voorouders. Naast het verlies van een arbeidskracht, en loon, waren er ook de zedepreken van
« mijnheer pastoor » die vanop zijn preekgestoelte de verderfelijkheid van het soldatenleven predikte. De angst om een ziekte op te lopen was reëel daar de soldaten in erbarmelijke omstandigheden werden gehuisvest en de hygiëne bijna onbestaand was. Ongelukken met wapens, paarden en vechtpartijen met bajonet en sabel waren schering en inslag. Kortom elk middel was goed om te ontsnappen aan een vreselijk lot. Het boek van Hendrik Consience « De Loteling » dat in 1850 verscheen geeft niet alleen een goed beeld van het leven en lijden van een aan door de gevreesde oogziekte getroffen rekruut, maar droeg ook zijn steentje bij tot de angst.
Het is dus niet verwonderlijk dat geloof en bijgeloof een grote rol speelden en allerlei middelen werden gezocht om het geluk een handje te helpen. Er werden missen opgedragen, novenen werden gehouden en bedevaarten gedaan. Gebeden werden gericht tot de Heilige Jozef, Margaretha en Antonius of een geestelijke werd aangesproken, omdat men toen dacht dat deze hun lot kon laten wijzigen. Een gewijde medaille, hemd, zakdoek of Hubertusbrood, het beeldje van een heilige, een stompje Paaskaars of –nagel of schapulier zouden het ongeluk bezweren.
Anderen probeerden een pact met de duivel te sluiten of gingen te rade bij een waarzegster of kaartlegster. Ook niet gewijde voorwerpen speelden hun rol. Zo waren een munt met kruis, heilige, engel of een gat erin zeer gegeerd evenals het koord van een gehangene of gestold bloed, stukjes navelstreng en gedroogde moederkoek. Al even krachtig waren de kralen van een stukje rozenkrans, de naald waarmee een doodshemd was genaaid of een zakje zout of het vlies van de onvolgroeide schedel van een zuigeling. Zeker niet te vergeten waren de huid van slang of vleermuis en de klassieke konijnen- en mollepootjes of het klavertje vier. Het amulet werd door de overbezorgde en angstige moeders met veel zorg in het (onder-)hemd van hun zoon genaaid. Uiterst probaat was het door weinigen gekende « gebed van Keizer Karel »(*) dat men acht dagen na elkaar moest opzeggen terwijl men een sleutel liet draaien of een briefje waarop de loteling zijn naam had geschreven met zijn eigen bloed opeten.
Bij het naderen van de « Dag des Oordeels » was het raadzaam geen bezoek te ontvangen van een ingelotene, een slag te krijgen of iemand te betrappen die de avond voor de loting zijn gevoeg deed tegen de huisgevel. Een dansende kaarsvlam, een vroeg geboorteuur of vanaf Nieuwjaar dromen dat men erbij was werden ook als ongunstige tekens beschouwd. De dag zelf door een man gewekt worden, blijgemoed opstaan en geen enkel kledingstuk verkeerd aandoen waren een must. Eenmaal op weg mocht de loteling niet als eerste op zijn pad kruisen : een vreemdeling, een vrouw, een pastoor, een heks, kat of spin. Een man of een bultenaar, koe of schaap daar en tegen waren dan weer gunstig. Omdat de kans bestond dat men het verkregen geluk zou doorgeven was het geven van een hand, of pruim tabak, uit den boze en praten werd ook sterk afgeraden. Eenmaal men voor de urne stond werd er aangeraden om een lot te trekken met de rechterhand, alhoewel men in de streek van Charleroi zweerde bij links.
Het spreekt voor zich dat al deze gebruiken van streek tot streek sterk verschilden en wat op de ene plaats als gunstig bekend stond op een ander onbekend was of zelfs ongunstig aangeschreven was. Misschien is dit wel een tip voor heemkundigen;-)

 

(*) Het Krachtig Gebed van Keizer Karel.
Het gebed zou zijn kracht hebben uit het feit dat het, volgens de legende door de paus aan Keizer Karel gestuurd zou zijn toen die ten oorlog trok.

Gebenedijd zij den Heer Jezus Christus,
Gij zijt gestorven aan den Galgeboom des kruises,voor onze zonde al te maal.
O Heilig Kruis Christi, zijt met mij,
Heilig kruis Christie, zijt mijn betrouwen.
Heilig kruis Christie, zijt mijn waarachtig licht mijner zaligheid
Heilig kruis Christie,keert en weert van mij alle snijdende zweerden.
Heilig kruis Christie,keert en weert van mij alle wapenen.
Heilig kruis Christie, keert en weert van mij alle kwaad.
Heilig kruis Christie, stort in mij alle goed.
Door het Heilig kruis Christie, kom ik op de weg der zaligheid.
Heilig kruis Christie, keert van mij alle nood des doods, en geeft mij het eeuwige leven.
Heilig kruis Christie, behoudt mij van alle nood des lichaams.
Dat Heilig kruis Christie aanbidde ik altoos.
O gekruisigde Jezus van Nazareth ontfermt u over mijner opdat den boze vijand van mij mag vlieden.Zienlijke en onzienlijke van nu tot in de eeuwigheid.Amen
In de eere van Jezus Christus dierbaar bloed, passie en schandelijke dood.
In de eere van zijn verrijzenis en Goddelijke menswording, waardoor hij ons heeft willen brengen tot onze zielzaligheid.
Alzoo waarachtig als dat Jezus geboren is op de Kerstnacht,
alzoo waarachtig als dat Hij besneden is op de Maandag.
Alzoo waarachtig dat de Driekoningen offers brachten op de dertiendedag...
Alzoo waarachtig als Jezus ten Hemel is geklommen.

Zodat den Heer Jezus mijwil bewaren tegen al mijn vijanden,
zienlijke en onzienlijke van nu tot in de eeuwigheid.
Amen.
O Hemelse Vader in uw Handen beveel ik mijn geest.
Amen.
 

INHOUD