Sneuvelen, begraven & herdenken op zijn Belgisch

Inleiding

 

België, gelegen op het kruispunt Europa, was door de eeuwen heen meer dan eens de aangewezen plaats om veldslagen uit te vechten. Sinds haar onafhankelijkheid in 1830 voerde ons land een neutraliteitspolitiek en bleef zodoende gespaard van het krijgsgewoel. Toen op 4 september 1914 de Keizerlijke Duitse legers ons land binnenvielen was gans de wereld geschokt en het leger dat tot dan onze grenzen bewaakte, werd samen met de burgers, meegesleurd in iets waar het niet op berekend was, namelijk een wereldoorlog.

Oorlog heeft slechts een ding gemeen en dat is het grote aantal doden, jonge mannen meestal en of ze stierven voor het vaderland of werden begraven in een heldengraf.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog stierven ongeveer 40.000 militairen van het Belgische leger (*). Zoals in ieder leger werden na een aanval « appels » gehouden, inlichtingen werden ingewonnen en verslagen geschreven. De lichamen van de gesneuvelde makkers werden afgevoerd om begraven te worden, wanneer de gevechtszone gedurende een lange tijd onder vuur lag was een kuil naast de loopgraaf al een oplossing. Lichamen die in niemandsland lagen probeerde men ‘s nachts binnen de lijnen te halen.

Dat het Belgische front relatief kalm was in vergelijking met andere sectors hoeft geen betoog.

Het grootste aantal mannen stierf tijdens de eerste oorlogsmaanden tot en met de Slag aan de IJzer en het bevrijdingsoffensief dat eind september 1918 van start ging. Tijdens de stabilisatie vonden vele jongens de dood in hospitalen in Frankrijk, veel  aan opgelopen verwondingen maar nog meer aan allerlei ziekten als gevolg van het verblijf aan het front. In Frankrijk zijn anno 2007 nog 3297 Belgische graven 14-18, van Calais en Duinkerken tot Nice, Marseille en Lourdes. Meer dan 150 begraafplaatsen sommige met een of enkele graven andere zoals Calais met meer dan 1000 graven of St-Anne d'Auray, Communal Rennes met 268 graven.

Een 300-tal graven in Groot-Brittannië en een vijftigtal in Zwitserland.
 

(*) Overlijden tussen 4 augustus 1914 en 30 september 1919 = oorlogsslachtoffer.

 

Een vooroorlogse « Guide Praqticue du Brancardier Militaire Belge » geeft de volgende richtlijnen voor het afhandelen van lijken :

-Er mag geen begraving plaats vinden alvorens een arts het overlijden heeft vastgesteld.

-De brancardier zal ten allen tijde de ademhaling, de hartslag en de reactie van pupillen op licht controleren.

-Wanneer het hoofd of de borstkas verwoest zijn « fracassée » of de ingewanden uit het lichaam puilen is er weinig twijfel, in andere gevallen is de raad van een arts aangeraden.

-Bij tekenen van ontbinding is alle twijfel uitgesloten (rottende geur, vocht uit lichaamsopeningen, kleur etc .)

-Alvorens tot begraving over te gaan moet de identiteit vastgesteld worden.

-Pas op het moment van de begraving mag het identiteitsplaatjje verwijderd worden.

-Het plaatje wordt met een grondige beschrijving van de doodsoorzaak en de ligging van het graf overgemaakt aan een officier.

-Wanneer de identiteit niet kan worden vastgesteld verzameld men zo veel mogelijk gegevens zoals nummers in de kleding, persoonsbeschrijving, littekens, moedervlekken, kleur ogen, staat gebit

-Er wordt op gewezen dat het om hygiënische redenen aangeraden is om na het gevecht de kadavers van mens en dier zo snel mogelijk te begraven.

-Graven worden gegraven in droge, vocht doorlatende grond die makkelijk te bewerken is.

-Begraafplaatsen worden aangelegd verwijderd van wegen, waterputten & -lopen, bebouwde kommen en hoeves. In principe ligt een begraafplaats op lager niveau dan de nabij gelegen wooncentra.

-De graven moeten minimum 2 meter diep zijn, de bodem voorzien van « drainage », de lichamen worden zij aan zij gelegd maximum 2 boven elkaar.

-Indien er tijd is is het aangeraden de lichamen te ontkleden om ontbinding te versnellen. De door lijkvocht besmeurde kledij en uitrusting dient men te verbranden.

-Officieren worden bij voorkeur apart begraven, hun graf gemerkt  met een teken en met vermelding van naam en stand van de begravene.

-De graven worden opnieuw met aarde gevuld en stevig aangedamd.

Er wordt hier ook gesproken van crematie, hiervoor werd ook een kuil gegraven, onder, tussen en boven de lijken werden hout en kolen geschikt. Bovenop werd teer en petroleum gegoten en in brand gestoken. Mij zijn dergelijke feiten niet bekend, waarschijnlijk werd deze praktijk niet toegepast in het Belgische leger de Christelijke leer van wederopstanding indachtig.

 

Kadavers van dieren werden gelijkaardig behandeld, maar het werd aangeraden om eerst de eetbare delen te verwijderen indien het dier pas gedood was.

 

Na dit onprettige werk moesten de arbeiders de kans krijgen zich te desinfecteren onder een warme douche of bad, zich van kop tot teen inzepen en afschrobben. Kleding in open lucht luchten en ondergoed in kokend water ontsmetten.

Het menselijke aspect werd in de frontlijn of het veldhospitaal afgehandeld, de administratieve molen kwam ook vanaf hier in beweging. Naast een puur papieren rompslomp was er ook een kwestie van geld mee gemoeid. De eerste twee mij bekende beslissing, teruggevonden in het JMO van 1914 betreft de persoonlijke bezittingen en de wedde en soldij van overleden militairen en vooral de bekommernis om de nabestaanden :

Antwerpen 24 september 1914
Een rondschrijven, gepubliceerd in « Moniteur Belge » van 20/22-09-1914, pagina 5299, beslist dat de wedde van militairen gedood door de vijand aan de weduwen en wezen zal uitbetaald worden tot de ondertekening van de wapenstilstand.

 

MAAR

 

M.B. 17 maart 1916 welke dat van 12 juli 1912 aanpast.
Aan de echtgenote van alle militairen overleden tijdens hun dienstneming zal de som van 150 franc uitbetaald worden. Indien de militair gescheiden of weduwenaar was zal deze som overhandigd worden aan de kinderen indien zij nog geen 18 jaar zijn.
Indien ongehuwd, of gescheiden, of weduwenaar zonder kinderen zal 100 franc uitbetaald worden aan de naaste verwant, d.w.z. ouders, broer of zuster.
In geval de militair als vermist werd opgegeven zou het geld pas gegeven worden na zes maand zonder enig bericht of teken van leven.

 

Ter informatie: vanaf 21 januari 1917 verdiende een soldaat 1é klasse 36 centiem per dag, 2é klasse 33 centiem. Niet bijgeteld “bibbergeld”, premie voor MG-schutter etc. Bij ziekenhuisopname vervielen de premies en halveerde de soldij bijna. Indien gestraft werd alles herleid tot nul frank.

Een brood van 750 gram koste gemiddeld een halve frank. (1 april 1917)

 

Dunkerque 24 november 1914
Teneinde een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van militairen gedood, gewond of vermist worden speciaal ontworpen formulieren gedrukt en verdeeld door het I.G.S.S. (Inspection Général du Service de Santé). Dit formulier moet ingevuld worden voor alle militairen die zich op het moment in de hospitalen bevonden of er zich zullen aanmelden.

 

In 1914 wordt de eerste keer reeds gepraat over de persoonlijke bezittingen, vanaf 1915 beginnen deze ogenschijnlijk een echt probleem te vormen.

 

Antwerpen 9 september 1914
Er wordt met aandrang verzocht om de persoonlijke bezittingen van gesneuvelde militairen, die zoals voorzien aan het Departement van Oorlog worden overgemaakt, te voorzien van de nodige gegevens zodat de objecten aan de ouders kunnen bezorgd worden.

 

Le Havre 4 april 1915
Geld, identiteitsplaatje, juwelen, papieren en persoonlijke souvenirs die op de lichamen van gesneuvelde militairen werden gevonden of de persoonlijke bezittingen van hen die in de hospitalen stierven moesten overgemaakt worden aan het Ministerie van Oorlog te St-Adresse, Le Havre.
De overgemaakte pakjes moesten vergezeld zijn van een formulier opgemaakt in tweevoud. Onder geen beding mochten eigendommen van overleden bewaard worden in de depots of magazijnen.

Op 26 juni 1915 werd men er nogmaals op gewezen dat de pakketten zo snel mogelijk moesten overgemaakt worden, teneinde de familieleden of vrienden zo snel mogelijk in het bezit te kunnen stellen van de inhoud.

 Op 30 oktober 1915 werd alweer de zaak «bezittingen van overledenen» ter sprake gebracht, het was namelijk gebleken dat de meeste formulieren die overhandigd werden onvolledig of onleesbaar waren ingevuld. De pakjes waren slecht gemaakt of te groot zodat de post ze weigerde te verzenden, of scheurden onderweg. Om de dienst te vergemakkelijken werd alles op divisieniveau georganiseerd, welke dan alweer moesten zorgen voor het doorsturen naar het Ministerie.
Bezittingen van officieren kregen een apart adres, nml:
Ministère de la Geurre, 1er Bureau « officier ».
Bezittingen van Duitse gesneuvelde militairen, geld incluis werden aan het Algemeen Hoofdkwartier overhandigd.

Op 31 december 1915 besloot men om de grotere stukken die door de post niet konden verstuurd worden of geweigerd werden moesten worden overgemaakt aan de « Service de Colis » samen met een vrachtbrief . De kleinere bezittingen konden wel nog via de post verhandeld worden.

 

Een ander probleem zijn de zogenaamde kameradenschenkingen


17 maart 1917
Aanvragen tot het verkrijgen van persoonlijke zaken van overleden militairen kunnen slechts gegeven worden na voorlegging van een notariële akte. Deze maatregel was niet van toepassing voor naaste verwanten maar was meer bedoeld om kameradenschenkingen te reglementeren.
 

Ook het geld dat een militair op zak had werd een sinecure:

 

Op 17 juli 1915 kwam men tot het besluit dat het geld dat bij de overledenen werd gevonden moest afgeleverd worden bij de officier-betaalmeester van de eenheid. Deze moest dan op het formulier de som invullen, zodat het bedrag via het Ministerie van Oorlog aan de nabestaanden kon overhandigd worden.

 

Le Havre 6 september 1916
Aansluitend op het bericht van 17 juli 1915 moesten alle geldsommen nagelaten door militairen overleden in hospitalen, revalidatiecentra enz. overgemaakt worden aan de officier-betaalmeester van de eenheid waartoe zij behoorden.
De tiende van elke maand moest een formulier opgemaakt worden, zelf indien het bedrag nihil was, en gezonden worden naar de « Direction Générale » in Le Havre. Officieren en troep gescheiden op aparte bladen.


Le Havre 17 januari 1917
Aansluitend op het bericht van 6 september 1916 worden de betaalmeesters er op gewezen dat ze de (vreemde) bankbiljetten afkomstig van gesneuvelden moeten aanvaarden volgens de som die op het biljet vermeld staat.
 

Een ander belangrijk onderdeel van deze papierslag was het in orde blijven met het burgerlijk wetboek, m.a.w. het opstellen van de overlijdensaktes:

 

Le Havre 21 februari 1916
De verantwoordelijken van de hospitalen worden erop gewezen dat bij het overlijden van een militair binnen de 24 uur een officiële overlijdensakte moet worden overhandigd aan de Officier van de Burgerlijke Stand al waar het hospitaal is gevestigd. Een exemplaar wordt bewaard in het hospitaal waar het aan het register van overlijden wordt toegevoegd, een afschrift wordt aan de betaalmeester gegeven en een wordt verzonden naar het Departement van Oorlog.


Aan het Front 17 oktober 1917
De kwartiermeesters worden er op gewezen dat de overlijdensaktes te laat en voor 8/10 onvoldoende ingevuld of niet gehandtekend op de dienst voor militaire begravingen toekomen.


 

De begraving en de begraafplaatsen.

  

Le Havre 31 augustus 1915
Op de graven van de militairen begraven op de gemeentelijke begraafplaatsen moest een kruis geplaatst worden.
Het hout werd geleverd door de Genie, de militaire werklieden zorgden voor het schilderwerk. 
Ieder zwart geverfd kruis moest in witte letters volgende gegevens bevatten : Nom et prénoms, .é régiment de ., l'armée belge, Né à . le ., Décéde ou Mort pour la Patrie (volgens het geval), A . le .

 

Dit eentalig Frans kruis zorgde voor heel wat irritatie bij de Vlaamsgezinden aan het Front. Midden 1916 begon men te werken aan het “Heldenhulde”-project om de Vlaamse (studenten) soldaten te voorzien van een Vlaamse Heldenzerk, naar een ontwerp van Joe English. Een Keltisch kruis met op de dwarsbalk de letters AVV-VVK en  een vliegende Blauwvoet, het symbool van de Vlaamse Studenten. Dit project kreeg een moeilijke start en eind 1916 stopte men er mee omdat er te veel praktische problemen opdoken. Begin april 1917 waren de meeste problemen opgelost en werden de eerste 15 stenen geleverd en geplaatst op de begraafplaatsen van Alveringem, Westvleteren en Hoogstade. Vooral om financiële redenen verruimde men het idee, maar hier over later meer.

 

Le Havre 28 oktober 1915
De intendant van de 2é Legerdivisie bedacht dat het in de periode van stabilisatie een morele plicht was om gesneuvelde onderofficieren en manschappen, of dezelfde categorie overleden in de militair hospitalen, een kerkelijke begraving te bezorgen. De aalmoezenier van de divisie bracht de legerleiding op de hoogte van het feit dat er aan deze dienst kosten verbonden waren, onder andere voor het luiden van de klokken, het gebruik van de sacramentale kleding en voorwerpen, de bedienaars van de mis enz..
Tenslotte werd aangenomen dat de veldhospitalen 10 franc mochten betalen per mis, ongeacht het aantal militairen dat werd begraven.


Le Havre 19 november 1915

Als aanvulling op bovenstaande werd besloten dat militairen die aan het front sneuvelden niet meer naar de hospitaalzone moesten getransporteerd worden voor het krijgen van een kerkelijke begraving. Dit mocht voortaan in de onmiddellijke omgeving van het front gebeuren, het korps waartoe de militair behoorde zou de financiële kant van zaak afhandelen.

Bij K.B. 22 juni 1916 werd beslist dat voortaan alle onderofficieren, korporaals, brigadiers en soldaten die aan verwondingen opgelopen in het gevecht bezweken de Leopold II-orde met Palm en het Oorlogskruis zou toegekend worden.
De namen van de belanghebbenden zullen later in « Le Moniteur » gepubliceerd worden.
De medailles en getuigschriften zullen na het eindigen van de vijandelijkheden, in uitzonderlijke omstandigheden tijdens, overhandigd worden aan de naaste familie tot en met broer of zuster, na het voorleggen van de nodige getuigschriften afgeleverd door de burgemeester van de laatste woonplaats van de overledene.

 

Op 29 juni 1916 werden de kwartiermeesters van de hospitalen er van op de hoogte gebracht dat zij iedere 15de van de maand een formulier moesten laten toekomen op het Departement van Oorlog met daarop alle mogelijke informatie aangaande de militairen « décédes des suites de blessures reçus à l'ennemi ».

 

Le Havre 17 november 1916

Men stelde zich de vraag of een militair die door oorlogsgassen was bevangen en in het hospitaal kwam te overlijden gestorven waren aan verwondingen. Men besloot « Mort des suites de lésions par le gaz asphyxiants » als doodsoorzaak te gebruiken.

  

Aan nationale orden werd een pensioen gekoppeld.
De militaire variant van alle nationale orden, toegekend aan militairen onder de rang van officieren, gaven recht op een toelage tot ergens rond 1980. In de orde van grootte van 10 tot 100 Fr per trimester, naargelang de orde en de rang.

Dat bedrag was toen redelijk en verglijkbaar met een pensioen, maar werd niet meer verhoogd sinds de militaire pensioenen georganiseerd werden zoals nu.
 
Daar de officieren toen een bewijs moesten leveren dat zij hun onderhoud konden verzekeren, hadden zij geen recht op deze toelagen. Dat is een erfenis van de tijden van Lodewijk XIV, toen men het brevet van officier moest kopen.

Het dagorder van het leger van 16 januari 1917 had reeds bevolen dat op ieder graf op een gemeentelijke of militaire begraafplaats en op de geïsoleerde ten velde een « Cocarde de Souvenir » moest geplaatst worden. Deze kokardes mochten in geen geval het opschrift bedekken. Iedere gevechtseenheid kreeg er in reserve evenals aluminium plaatjes waarop de identiteitsgevens gegraveerd werden..
Wanneer een eenheid in aanval was moest de commandant er voor zorgen dat de graven duidelijk gemerkt waren en dat er een aluminium plaatje werd aangebracht (préalablement gravée).
De Militaire gravendienst (Commission des sèpultures militaires) zou achteraf het nodige werk doen.


21 februari 1917
De ordes en eretekens van een gesneuveld of aan zijn wonden overleden militair beneden de rang van officier mogen tijdens de begrafenis op de lijkkist gelegd worden, zelfs degene die postuum verleend werden en nog niet in de « Moniteur » gepubliceerd werden (zie 22 juni 1916)

 

De oprichting van de Militaire Gravendienst

 

Bergues 5 april 1917
Teneinde de Begravingdienst (Service des Inhumations) te regulariseren wordt zijn samenstelling en taken gepubliceerd.
De dienst centraliseert de gegevens in verband met de overleden militairen en vervolledigt het werk van de officier-administrateur van deze dienst die bij de verschillende divisies inlichtingen verzamelt. Zij maakt ook eventuele procesverbalen aan, en ontvangt de persoonlijke bezittingen van de gesneuvelden. Zij brengt maandelijks verslag uit aan het Departement van Oorlog.
Registreert, bewaard en onderhoud de graven van de Belgische en Franse militairen die zich in de Belgische bezettingszone bevinden.
Registreert topografisch de ligging van de graven.
Geeft de militaire gouverneurs raad in verband met de aanleg van nieuwe militaire begraafplaatsen.
Probeert zoveel mogelijk gegevens te verzamelen, bvb. met enquêtes, teneinde de onbekende militairen te identificeren.
Plaatst permanente herdenkingsplaten op de graven. 
Geeft vanaf zijn hoofdbureau (36, Boulevard de Strasbourg, Le Havre) antwoord op vragen om inlichtingen.
Naast het centrale bureau waren er ook nog twee vooruitgeschoven diensten en een onderhoudsploeg voor de graven.
Personeel:
Een directeur, een officier-adjunct-administrateur die een motorfiets ter beschikking heeft, een sergeant-majoor of foerier secretaris van de directeur, een sergeant, twee tekenaars, drie bedienden waarvan een planton-wielrijder, twee chauffeurs waarvan een voor de personenwagen en een voor de vrachtwagen. 
Elk frontbureel bestond uit een sergeant met motorfiets en 3 soldaten. 
De onderhoudsploeg bestond uit een sergeant, een korporaal en acht soldaten waarvan een schilder.
De kapitein-commandant Vanot leidt deze dienst die administratief verbonden is aan het centraal depot van de genie.

Zoals reeds gezegd, in april 1917, werden de eerste Heldenhulde zerkjes geplaatst, maar de vereniging zat in geldnood en stelde daarom dat elke soldaat, Vlaming of Waal, recht hadden op een blijvende steen. Al te dikwijls was gebleken dat de door het leger verstrekte kruisjes verdwenen, vooral dicht bij het front na bombardementen of de opschriften vervaagden. Na de oorlog, stelden zij, moesten de bezoekers kunnen zien dat Vlaanderen de kinderen dankbaar was, die op zijn grond hun bloed hadden vergoten voor de vrijheid van België en de hele wereld. Het initiatief wilde zich niet langer beperken tot intellectuelen, maar ook tot volksjongens en niet allen de Vlamingen maar ook de Walen.

Men rekende vooral op de steun van de gemeentebesturen van de dorpen achter den IJzer en vroeg deze 50 franc per gesneuvelde inwoner te storten, ook zocht men per gemeente een vrijwilliger om lijsten van de gesneuvelden op te maken. De respons was beperkt.

Een tweede motiverend bericht klonk als volgt: “staatshulde is abstract, officieel is koud en onpersoonlijk. De plicht om onze doden te eren rust niet bij de Staat, maar onze jongens hebben recht op warme dank, op de persoonlijke hulde van elk van ons en op het milde offer uit de beurs van elk van ons. Respons onbekendJ

 

Enkele cijfers.

-Een heldenhulde-zerk koste 50 franc, 20 franc vermindering indien het initiatief uitging van de eenheid van de gesneuvelde.

-Van de eerste 200 zerken blijkt dat:

-Slechts een twintigtal studenten en 15 brancardiers, de oorspronkelijke doelgroep, wat ongeveer 15% van het totaal. Onder 2/3 van de stenen lagen gewone soldaten, een kleine minderheid onder-officieren en korporaals en geen officieren.

-40% waren geboren West-Vlamingen

-20% Oost-Vlaanderen

-6% Antwerpen, praktisch geen Brabanders of Limburgers

-5% waren Walen, vooral uit Luik & Henegouwen,

-De zerken stonden verspreid op 16 verschillende begraafplaatsen. (Adinkerke & Oeren een vijftigtal; Westvleteren, Hoogstade, Steenkerke en Alveringem een twintigtal.)

 

Begin juni 1917 verschenen er op de begraafplaats van St-Jacobskapelle witte marmeren plaatjes met daarop de koninklijke kroon en de tekst “Souvenir” & “Mort pour la Patrie”, Uitsluitend in het Frans.

 

Van Franstalige kant was er natuurlijk wel tegenwerking.

 

Toen een bracardier (Gheysbrechts) voorstelde om in zijn eenheid Heldenhulde-zerkjes te kopen voor twee gedode Vlamingen, keurde de Luitenant het voorstel goed. De sergeant-majoor, een echte Franskiljon, bestelde met het rondgehaalde geld 2 prachtige rouwkronen.

 

De aankoop van rouwkronen was een normale procedure tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Belgische leger.

 

Een wetsbesluit van 5 september 1917 bepaald de overdracht van gronden alwaar tijdens de vijandelijkheden militairen begraven werden van de legers van volgende landen: België, Groot-Brittannië en Frankrijk. De graven op burgerlijke begraafplaatsen zullen door de gemeente onderhouden worden, de andere door de respectievelijke staten. Er moeten toegangswegen voorzien en onderhouden worden. De plaatselijke politie is met het toezicht belast. Op gemengde militaire begraafplaatsen worden de kosten voor het onderhoud gedragen volgens het aantal graven van ieder land.
 

M.B. van 19 februari 1918 besluit tot het oprichten per militair gouvernement van een « Service Provincial des Sépeltures Militaires ». Per provincie dient er een dienst opgericht te worden die afhankelijk is van het hoofdbureau (zie 5 april 1917). De diensten hebben dezelfde taken als het hoofdbureau dat nu een coördinerende functie krijgt. Iedere provinciale dienst zal bestaan uit twee secties. De sectie militaire begravingen en de sectie militaire begraafplaatsen. Deze laatste heeft als president de militaire gouverneur van de provincie. Verder een of meerdere genie-officieren belast met de planning en raadgeving bij de werken nodig om het terrein klaar te maken voor gebruik. Een of meerdere afgevaardigden van de gezondheidsdienst. De dienst West-Vlaanderen wordt onmiddellijk geïnstalleerd.
 

M.B. van 11 maart 1918 besluit tot het inrichten van een militaire en burgerlijke begraafplaats op het grondgebied van Adinkerke en De Panne.

M.B. van 1 juli 1918 besluit tot het inrichten van een militaire begraafplaats op het grondgebied van Sint-Rijkers. Grote : 15 aren, 95 centiaren. (omgeving Hoogstade, begraafplaats later ontruimd en de stoffelijke resten overgebracht naar De Panne, B.M.B.)

 

In het begin van de jaren ’20 wordt overgegaan tot onteigening en uitbetaling van de reeds in gebruik zijnde gronden.

 

Natuurlijk was het grootste deel van ons land tijdens de oorlog bezet. Ook daar werd werk gemaakt van de tijdens de bewegingsoorlog gesneuvelde (Belgische) militairen.

  

Halen, initiatief burgemeester, eerste herdenkingsplechtigheid in augustus 1915 met Duitse toestemming.

 

Mechelen, onderwijzer D’Haese van St-Katelijne-Waver. Deinst er niet voor terug om de Duitsers ter hulp te roepen wanneer landbouwers hem verbieden op hun gronden te graven.

 

Londerzeel, juffrouw Oriane, geboren te Schaarbeek en dochter van een Rijkswachter. Roddel over het bestelen van lijken zorgde ervoor dat zij werd opgepakt door de Duitsers. Zij belande eerst in de gevangenis en vervolgens in een kamp. Na de oorlog doet ze haar werk verder.

 

Dendermonde, in februari 1918 start men met de aanleg van een Duitse militaire begraafplaats. Er moeten minimum drie ontgravingen per dag gebeuren, overbrengen stadsgrafkelder en begraven. Het betreft niet alleen graven in de velden, maar ook alle militairen begraven op gemeentelijke begraafplaatsen in het bereik van de Dendermondse “Kommandantuur” worden overgebracht naar de militaire begraafplaats.

 

 

Na de Wapenstilstand, de herdenking

 

Brussel 28 januari 1919
De ouders, broers, zusters, echtgenote en kinderen kunnen na voorlegging van een bewijs van begraving en een akte die hun afstamming bewijst een gratis treinticket bekomen om het graf van hun verwant gestorven tijdens de oorlog te bezoeken.

Vanaf 12 mei 1919 kan ook onder dezelfde voorwaarden een ticket bekomen voor de graven die zich bevinden in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Groot Hertogdom Luxemburg, Zwitserland en Groot-Brittannië. De reis kan slechts eenmaal ondernomen worden op kosten van de Staat en is beperkt tot de lijnen uitgebaat door de Belgische Spoorwegen. De rest van het traject wordt afgelegd op kosten eigen kosten.
Niet Belgen die het militair graf van hun verwant komen bezoeken op ons grondgebied genieten ook van het gratis tarief.

Vanaf 18 september 1919 kunnen de ouders van de overleden militair zich indien nodig laten vergezellen door een geleide indien hun gezondheidstoestand dit vereist. Bij het voorleggen van een attest uitgereikt door een dokter worden de reisonkosten door de Staat gedragen.
De officiële verloofdes genieten dezelfde rechten als de echtgenotes. Een verklaring van een eerbaar persoon ondertekend door de burgemeester geeft recht op een gratis treinticket.

Op 13 februari 1920 wordt bovenstaande nogmaals toegezegd voor het jaar 1920.

In 1921 was er ook nog mogelijkheid tot gratis vervoer, weduwen die ondertussen hertrouwd waren, konden niet meer genieten van dit voordeel.
 

De wet van 14 juli 1919 "relative a la commémoration et a la glorification des morts et des condamnés a mort pour la Belgique au cours de la Grande Geurre"

In deze wet wordt onder andere bepaald dat alle namen van militairen die onder de Belgische vlag streden en hun leven gaven zullen worden opgetekend. Het register zal gedeponeerd worden op het Paleis der Natiën te Brussel. Een afschrift zal aan de familie afgeleverd worden evenals aan de gemeente waar de overledene zijn laatste woonplaats had. Deze laatste worden er toe aangezet om een speciaal herdenkingsregister aan te leggen.
De namen van al de in het register opgenomen personen zullen op kosten van de Staat ingebeiteld (inscrit) worden op de binnenmuren van het Brusselse Justitiepaleis. (niets van teruggevonden)
Dezelfde wet verbindt er zich ook toe om de graven van alle militairen en niet-militairen die tijdens de Grote Oorlog hun leven voor België gaven te onderhouden. Jaarlijks zal een geldsom vrijgemaakt worden.
Een monument ter verheerlijking van de doden van de Grote Oorlog zal opgericht worden. De gemeenten die een monument willen oprichten zijn gehouden aan de voorschriften van deze wet.

 

Brussel 23 oktober 1919

Aan alle militaire autoriteiten wordt een oproep gedaan om informatie te verzamelen aangaande Belgische en Geallieerde militairen die tijdens de oorlog in handen vielen van de Duitsers. Sommigen bereikten nooit levend de krijgsgevangenkampen. Hun lichaam werd vermoedelijk ergens begraven op burgerlijke begraafplaatsen tussen het front en Duitsland, ook wordt gevraagd om aandacht te schenken aan plaatsen waar zich militaire medische installaties bevonden. Controle van burgerlijke stand en begravingregisters worden aangewezen als hulpmiddel bij de zoektocht.
Ook wordt gevraagd om de registers en administratie van de Duitse militaire begraafplaatsen op te sporen, reeds gevonden exemplaren geven als adres van bestemming “ Gräbers-bureau, Dorother Strasse, Berlin”

Het K.B. van 18 december 1919 (wet van 15 november 1919) verbied voor zes maand ontgraving en repatriatie van militairen. 
Deze maatregel werd getroffen in navolging van Frankrijk en Groot-Brittannië. Op heel wat (militaire) begraafplaatsen waren slachtoffers van epidemische ziekten begraven, o.a. de Spaanse Griep, wat de verschillende overheden deed besluiten dat het vervoer van stoffelijke resten niet verantwoord was.
Uitzondering was er alleen voor ontgravingen die reorganisatie van de begraafplaats tot doel hadden.
Op 18 augustus 1920 wordt bovenstaande maatregel verlengd tot 15 november 1920.
 

Brussel 9 januari 1920

Er wordt aangeraden om nog niet uitgereikte eretekens en medailles van gesneuvelde of gedemobiliseerde militairen te overhandigen tijdens een korte sobere plechtigheid in de garnizoenstad van het regiment. Voor de gesneuvelde of overleden militair worden de brevetten en juwelen overhandigd aan de naaste verwanten (vader, moeder, echtgenote, kinderen, broer of zuster)
 

Voor het werkjaar 1920 wordt door de dienst Militaire Begraafplaatsen een totaal van 6.450.000 franc gevraagd en toegestaan.
6.100.000 franc voor reparatie en hergroepering van de graven, het gebruik van een wagen voor dit doel, aanvragen voor terreinen, aankoop van concessies in België en het buitenland, regularisatie van de reeds bestaande begraafplaatsen, beheer en onderhoud van deze en het oprichten van grafmonumenten.
300.000 franc voor het in orde brengen van de burgerlijke stand, functioneren van de Nationale Dienst voor Militaire Begraafplaatsen, huur van de gebouwen voor deze dienst, kosten voor licht en verwarming, aankoop van materiaal.
50.000 franc voor de aankoop van concessies op burgerlijke begraafplaatsen en het onderhoud van Duitse militaire begraafplaatsen in België.

 

Voor het werkjaar 1923 was deze som herleid tot 4.700.000 franc. (totaalbudget 473.581.877 franc)

Staatsblad 20 september 1920

 

(de dagbladen worden verzocht dit bericht over te nemen)

 

Het publiek wordt er van op de hoogte gebracht dat er voor alle Belgische gesneuvelden een grafsteen zal ontworpen worden van een en hetzelfde model, zodat de familie deze kosten bespaard blijven.

Wie toch een eigen monument wil oprichten moet toestemming vragen aan het Bestuur der Militaire Grafsteden,  Hoogstraat 18a, Brugge

 

Staatsblad 30 augustus 1920

 

De grafstenen zullen geplaatst worden met de tekst in de door de overleden militair gesproken taal.

Op die wijze aangelegd zullen de militaire kerkhoven bedevaartplaatsen worden….

Het nageslacht dient de betekenis van de dood van onze helden niet te vergeten.

Het valt te vrezen dat de uitstrooiing onze roemvolle doden eens hun aandenken zal verzwakken en dat hun offer, waarvan de herinnering nochtans onuitwisbaar moet blijven, vergeten geraakt.

Anderzijds dienen families een daad van gemeenschapsgevoel te plegen tegenover de talrijke ouders die de stoffelijke overblijfsels van hun kinderen niet hebben kunnen vinden, vermist in de woelige oorlogstijd, of die op de militaire begraafplaatsen als onbekende zullen achterblijven wanneer al de andere lichamen worden teruggegeven, zo zal niemand hun graf bezoeken en zal hun offer voor eeuwig uitgewist worden.

Dienvolgens rekent de regering er op dat de Belgische families het als plicht zullen beschouwen, en hun persoonlijke belangen zullen opofferen in het algemeen belang en zullen begrijpen dat de gepaste laatste rustplaats van een soldaat het slagveld is.

Onmiddellijk gevolgd door :

Mochten echter sommige families om gevoelsredenen de teruggave van de stoffelijke overblijfsels aanvragen  zou de regering dit toestaan onder volgende voorwaarden :

De stoffelijke resten zullen aan de familie overhandigd worden bij het spoorwegstation het dichtst gelegen bij de gekozen begraafplaats.

De ontgravingkosten, het op gepaste wijze kisten voor de verre reis en het vervoer tot in het eindstation vallen ten laste van de staat, alle verdere kosten zoals vervoer van het station naar de begraafplaats, herbegraving, graf en het onderhoud hiervan, mis, enz. vallen ten laste van de familie.

De families hebben tijd tot 2 maand na 1 september 1920 om een aanvraag tot repatriëring in te dienen bij aangetekend schrijven aan de dienst Militaire Grafsteden te Brugge.

 

Staatsblad 25 december 1920.

 

Het grootste deel van werkzaamheden, het groeperen van graven en aanleggen van begraafplaatsen, is bijna afgelopen, meldt het Staatsblad. In de nabije toekomst zal worden overgegaan tot het terug geven van de lijken voor repatriëring.

Om het verlangen van sommige families in te willigen, rekening houdende met de staat van de lichamen en om spijtige vergissingen ter vermijden zijn bijzondere maatregelen getroffen.

Vanaf 1 maart 1921 zal men overgaan tot de teruggave van de lijken.

De maatregelen : België werd in 11 sectors verdeeld, te weten 8 sectors in de lijn ten westen van de Wapenstilstandslijn en 3 ten oosten hiervan. Deze drie zijn Luik met de provincies Luik, Limburg & Luxemburg, Mechelen met Antwerpen, Brabant en Oost-Vlaanderen ten oosten van de Wapenstilstandslijn en ten slotte Namen met de provincies Namen en Henegouwen.

De teruggave zal stelselmatig en gelijktijdig beginnen in alle sectors op een door de verantwoordelijke gestelde werkwijze.

In iedere sector zullen de behoorlijk herkende lichamen worden ontgraven en in een speciale doodskist gelegd worden (zinken binnenbekleding). De ontgraving en identificatie gebeurt in tegenwoordigheid van een door het bestuur der militaire grafsteden aangestelde verantwoordelijke. Deze maakt een definitief proces-verbaal op en slaat een metalen herkeningsplaatje op de kist.

De families worden 8 dagen op voorhand verwittigd, maar het is onmogelijk een precieze datum vast te stellen daar het werk door praktische of klimatologische omstandigheden vertraging kan oplopen. De families moeten gereed zijn om op het moment van « verwittiging » het toelatingsbewijs voor herbegraving te laten geworden aan de dienst Militaire Grafsteden. De kisten klaar voor transport worden in een dodenhuis geplaatst. Op het ogenblik dat de kist op transport wordt gesteld zal de familie door het gemeentebestuur op de hoogte worden gebracht.

De kist blijft tijdens de reis vergezeld van een begeleidsman, die deze zal overdragen aan een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur en de verantwoordelijke van de nieuwe gekozen begraafplaats.

Indien mogelijk werd de familie gevraagd een afgevaardigde te sturen om de werkzaamheden van de Dienst M.G.S. te controleren. Gans de familie kon aanwezig zijn in zo verre zij de werkzaamheden niet stoorden.

Tot hier worden de kosten door de Staat gedragen, alle verdere kosten zijn voor de familie.

De families konden echter alle werkzaamheden op eigen kracht en rekening laten verrichten, na aanvraag bij de Dienst M.G.S.. Dit werd toegestaan indien het werk gebeurde zonder de andere werken te hinderen of te vertragen en in aanwezigheid van een afgevaardigde van de dienst.

België zou natuurlijk België niet zijn mocht alles « normaal » verlopen. De militaire « Service Sépultures » werd overvleugeld door de VZW Nos Tombes (francophone en nationalistisch). De VZW Bedevaarten naar de Graven van de IJzervlakte (Vlaams) stuurde na de oorlog gele met zwarte tekening in het briefhoofd naar de Vlaamse gemeente met daar in de vraag om alle namen bekent te maken van soldaten die sneuvelden tijdens de oorlog. Het lag in deze vereniging de bedoeling om in de IJzervlakte een monument op te richten waarop alle namen zouden staan van de Vlaamse doden. Respons op dit verzoek of concrete details over dit project zijn mij niet bekend, maar de huidige bedevaarten zijn ons allen bekend.

Op gemeentelijk vlak werden ook verenigingen opgericht met als doel het onderhoud van oorlogsgraven, zoals te Aalst waar « Herinnering » tot in de jaren ’50 zeker actief was.

 

Bij Koninklijk besluit van 28/09/1927, met ingang van 4/01/1928 werd Binnenlandse Zaken belast met het onderhoud van de Militaire Begraafplaatsen. Sinds 2004 is Defensie verantwoordelijk.

 

 

Bibliografie & Bronnen